Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.de vereniging ASSOCIATED BUSINESS MUSIC DISTRIBUTORS,
BCM MUSIC SYSTEMS B.V.,
DJ-MATIC B.V.,
EASYS HORECA B.V.,
PB SOUND B.V.,
THE MUSIC MARKETEERS B.V.,
XENOX MUSIC & MEDIA B.V.,
1.VERENIGING BUMA,
STICHTING STEMRA,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Inlichtingen ten behoeve van comparitie, met een productie.
2.De verdere beoordeling
bedrijfsmatig afspelen).
streamingdienstwordt in dit arrest verstaan: een bedrijf waarvan de diensten bestaan uit het door middel van
streaming on demandbeschikbaar stellen van muziek aan natuurlijke personen.
- in de contracten met de ABMD-leden verkrijgen deze toestemming tot (verveelvoudigen en) beschikbaar stellen van de muziek aan bedrijfsmatige afnemers ten behoeve van bedrijfsmatig afspelen (zie tussenarrest rov. 2.3);
- in de contracten met de streamingdiensten verkrijgen deze (slechts) toestemming tot (verveelvoudigen en) beschikbaar stellen van de muziek aan hun abonnees voor privégebruik, althans voor doelen die niet het bedrijfsmatig afspelen omvatten (die doelen hierna kortheidshalve aan te duiden als: privégebruik).
de gebruikersvan de streamingdienst – de horeca-ondernemers etc. – (slechts) een licentie van Buma hebben voor privégebruik en dus niet voor zakelijk gebruik. De grief bestrijdt dus niet dat de licenties van Buma/Stemra aan de streamingdiensten alleen betrekking hebben op beschikbaar stellen voor privégebruik. Dit laatste blijkt ook uit de tekst die Buma/Stemra zelf op haar website heeft gepubliceerd (zie tussenarrest rov. 2.10), en vindt overigens bevestiging in het feit (zie tussenarrest rov. 2.9) dat een grote streamingdienst als Spotify in de Nederlandse versie van haar gebruiksvoorwaarden vermeldt dat de abonnee slechts gerechtigd is tot “persoonlijk, niet-commercieel (…) gebruik” van de muziek en dat “uitvoeren voor (…) het publiek” daarvan om geen enkele reden is toegestaan.
voor privégebruik– maar dat voor het licentiëren van muziek
voor bedrijfsmatig gebruikhet mandaat van Buma/Stemra als vertegenwoordiger van rechthebbenden blijkens de eigen stellingen van Buma/Stemra (document Inlichtingen onder 15) juist nog wel geldt voor (100% van) het wereldrepertoire. Indien derhalve de streamingdiensten toestemming zouden willen verwerven voor het beschikbaar stellen van muziek aan hun abonnees voor bedrijfsmatig afspelen in Nederland, komen zij daarvoor altijd terecht bij Buma/Stemra. Niet is gesteld of gebleken dat die toestemming ook bij een andere partij kan worden verworven (behoudens ingeval van een andere cbo, waarvoor dan
mutatis mutandisgeldt wat hiervoor over de verhouding tot Sabam is vastgesteld). Aldus kan de geschetste inperking van het mandaat van Buma/Stemra jegens streamingdiensten tot een deel van het wereldrepertoire geen afbreuk doen aan het oordeel dat Buma/Stemra op de markt van auteursrechtlicentiëring voor het beschikbaar stellen van muziek voor bedrijfsmatig afspelen beschikt over een machtspositie.
British Airways/Commissie). Het hof is van oordeel dat Buma/Stemra, bij het (blijven) hanteren van een systeem van licentiëring en handhaving zoals hiervoor bedoeld onder 2.2.7, in de gegeven omstandigheden de reële kans voor lief heeft genomen dat haar opstelling voor de ABMD-leden tot nadeel bij de mededinging zou strekken, hetgeen volstaat. Voorzienbaar moet immers zijn geweest dat, toen de streamingdiensten niet bleken op te treden tegen zakelijk gebruik van hun producten, daarmee een alternatieve route werd geopend die vanuit concurrentie-oogpunt nadelig was voor de ABMD-leden als Buma/Stemra daartegen niet zelf optrad. Buma/Stemra was de enige die kon optreden. Dat zij dat niet heeft gedaan, om haar moverende redenen, moet worden opgevat als een bewuste benadeling van de concurrentiepositie van de ABMD-leden. Ook de maatregelen waarover Buma/Stemra en ABMD eerder hebben overlegd, een voorlichtingscampagne, heeft Buma/Stemra immers niet genomen. Dit is met name aannemelijk omdat het hier niet gaat om een geval waarin voor verschillende afnemers verschillende prijzen gelden – waarvan een nadelig concurrentie-effect bij afnemers voor een leverancier niet altijd duidelijk zal zijn – maar om een geval waarin door Buma/Stemra voor een bepaalde prestatie van één groep afnemers een vergoeding wordt bedongen maar van andere afnemers in het geheel niet, terwijl aan dat onderscheid op het niveau van de eindgebruikers-licenties geen gevolgen worden verbonden.
binnende genoemde termijn, maar juist dat de termijn is bedoeld als een periode van voorbereiding
na afloop waarvanBuma/Stemra de bedoelde handelingen moet gaan uitvoeren. Dat ook Buma/Stemra de strekking van deze vordering zo heeft begrepen blijkt uit haar hierna onder 2.4.5 behandelde verweer. Het hof zal de vordering daarom in deze zin toewijzen.
ABMD enhaar leden” onrechtmatig is gehandeld. De rechtbank gaf echter deze vordering weer (rov. 3.1) als ziende op onrechtmatig handelen “jegens ABMD-leden” en heeft ook in haar dictum onder 5.1. slechts voor recht verklaard dat “jegens de ABMD-leden” onrechtmatig is gehandeld. In hoger beroep is er geen op dit punt gerichte grief, en de onderbouwing van hun grief 1 stellen ABMD c.s. zelf (memorie van grieven nr. 27) dat niet-optreden tegen bedrijfsmatig gebruik door streamingdienst-abonnees “jegens de ABMD-leden” onrechtmatig is. De verklaring voor recht zal het hof daarom betrekken op onrechtmatig handelen van Buma/Stemra jegens de leden van ABMD.