Conclusie
1.Vereniging Buma
1.Associated Business Music Distributors
Buma/Stemra(enkelvoud), verweerders gezamenlijk als
ABMD c.s.(meervoud) en verweerders 2 t/m 7 als
ABMD-leden.
1.Inleiding
art. 102 sub c VWEU Pro) heeft geschonden. Deze verdragsbepaling vermeldt als voorbeeld van misbruik van machtspositie “
het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging”. De
eerste vraagis of het hof terecht heeft geoordeeld dat Buma/Stemra een machtspositie bezit en, zo ja, op welke markt. De
tweede vraagis of juist is het oordeel van het hof dat ABMD-leden en streamingdiensten met elkaar concurreren waar het de terbeschikkingstelling van muziek voor bedrijfsmatig gebruik betreft. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord, hoewel de streamingdiensten op die (zakelijke) markt niet zelf diensten aanbieden. Door ABMD-leden en streamingdiensten als elkaars concurrenten aan te merken kon het hof hun positie met elkaar vergelijken en daarmee de stap zetten naar de
derde vraag,of Buma/Stemra gelijke voorwaarden toepast op gelijkwaardige situaties en zo nee, of zij – en dat is de
vierde vraag– de ABMD-leden daardoor nadeel heeft berokkend bij de concurrentie. Het hof komt tot de slotsom dat dit laatste het geval is en dat Buma/Stemra daarom in strijd met art. 102 sub c VWEU Pro en jegens AMBD c.s. onrechtmatig heeft gehandeld.
2.Feiten
Aw). Het betreft bemiddeling bij het aangaan of uitvoeren van overeenkomsten over uitvoering in het openbaar en de uitzending in een radio- of televisieprogramma, inclusief de uitzending via internet. Het monopolie van Buma ziet
nietop het recht van online beschikbaarstelling voor het publiek. [5]
AGM-overeenkomsten). Verweerder sub 5, PB Sound, heeft een overeenkomst met Buma/Stemra, de overige ABMD-leden hebben dat met het SABAM CVBA (hierna:
Sabam), de Belgische evenknie van Buma/Stemra. Sabam opereert in Nederland als incasseerder van verschuldigde auteursrechten voor muziekuitgevers die met haar een overeenkomst hebben gesloten. Sabam is gehouden voor het gebruik van muziek in Nederland de door Buma/Stemra vastgestelde tarieven toe te passen.
AGM-tarief): A. € 16,00 per jaar voor niet-interactieve muzieksystemen (geen mogelijkheid om het aangeboden muziekbestand of de volgorde van muzieknummers te beïnvloeden); B. € 60,00 per jaar voor interactieve muzieksystemen met maximaal 3.500 beschikbare muziekwerken; C. € 80,00 per jaar voor interactieve muzieksystemen met een onbeperkt aantal beschikbare muziekwerken. De jaarlijkse tarieven voor de genoemde categorieën bedroegen voor het jaar 2017 respectievelijk € 16,23; € 60,84; € 81,49.
streaming on demandmuziek beschikbaar stellen binnen Nederland. Het tarief daarvoor (hierna: het
streaming on demand-tarief) bedraagt 10% van de muziekgerelateerde jaaromzet bij licentiëring van 100% van het Buma/Stemra-repertoire, met een minimum van € 0,85 per abonnee per maand. In deze procedure wordt ervan uitgegaan dat een abonnement bij Spotify in Nederland € 9,99 incl. BTW per maand kost. [7] In de gebruiksvoorwaarden van Spotify is opgenomen dat de dienst is beperkt tot persoonlijk gebruik.
3.Procesverloop
rechtbank) heeft bij eindvonnis van 12 december 2018 [10] (hierna: het
vonnis) de vorderingen van ABMD c.s. gedeeltelijk toegewezen. Zij heeft, samengevat, (i) voor recht verklaard dat Buma/Stemra jegens de ABMD-leden onrechtmatig handelt door een andere vergoeding in rekening te brengen dan aan streamingdiensten, (ii) Buma/Stemra verboden een dergelijke andere vergoeding nog langer in rekening te brengen – en dus verplicht aan ABMD-leden hetzelfde tarief in rekening te brengen als het tarief dat door streamingdiensten moet worden betaald voor privégebruik – en (iii) hen veroordeeld de daardoor ontstane schade, op te maken bij staat, aan ABMD c.s. te vergoeden. De rechtbank overwoog kort weergegeven dat:
hof).
tussenarrest) overwoog het hof dat van Buma/Stemra in het kader van de gehoudenheid tot onderbouwing van hun verweer tegen de stellingen van ABMD c.s. over misbruik van machtspositie kan worden verwacht dat zij bepaalde feitelijke gegevens aan ABMD c.s. verstrekt om hun aanknopingspunten te bieden voor eventuele bewijslevering.
eindarrest) heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende geoordeeld:
4.Juridisch kader
Mw) wordt in belangrijke mate bepaald door de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie (hierna:
Commissie) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:
Hof van Justitieof
HvJEU). Naar voorbeeld van art. 101 lid 1 VWEU Pro en art. 102 VWEU Pro kent de Mw het verbod op mededingingsbeperkende afspraken (‘kartelverbod’) in art. 6 lid 1 en Pro het verbod van misbruik van (economische) machtspositie in art. 24. Het gaat bij deze verboden erom of de mededinging door ondernemingen, dan wel door een (dominante) onderneming, wordt beperkt. Het gaat er niet om, althans niet primair, of de wijze waarop wordt geconcurreerd als (on)eerlijk is aan te merken.
zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, afnemers en uiteindelijk consumenten te gedragen”. [14] Hoe nauwer de relevante markt wordt afgebakend, hoe eerder in de regel sprake zal zijn van een machtspositie. [15] Doel van de marktafbakening is te kunnen vaststellen wie met wie concurreert, en dus wie de bestaande of potentiële concurrenten zijn van de onderneming waarvan het marktgedrag voorwerp van onderzoek is. Afbakening van de relevante markt, zowel geografisch als naar product of dienst, is daarom een belangrijke eerste stap in de uit te voeren analyse. [16] De tweede stap is of de onderneming op die markt een machtspositie heeft. Volgens het HvJEU kunnen zeer aanzienlijke marktaandelen, uitzonderingen daargelaten, op zichzelf het bewijs van een machtspositie vormen. [17] Bij een marktaandeel van 50% (of meer) geldt een weerlegbare presumptie dat er een machtspositie is. [18] Steeds zal echter een economische analyse moeten worden gemaakt. Ook bij een 100% marktaandeel, zoals bij een monopolie, hoeft er toch geen machtspositie te zijn, bijvoorbeeld als afnemers zo sterk zijn dat zij voldoende tegenwicht kunnen bieden aan de aanbieder. [19]
competition on the merits), versterken van een machtspositie vormt geen misbruik. [21] In art. 102 VWEU Pro staat een
nietuitputtend lijstje van gedrag dat wél misbruik kan opleveren. [22] De bepaling sub c), die in deze zaak centraal staat, vermeldt discriminatie waarmee handelspartners nadeel bij de mededinging wordt berokkend. Deze vorm van misbruik doet zich voor als de dominante onderneming (i) gelijkwaardige prestaties heeft geleverd aan verschillende handelspartners, (ii) daarbij ongelijke voorwaarden heeft toegepast en (iii) als gevolg daarvan aan bepaalde handelspartners nadeel bij de mededinging heeft berokkend. [23] Voor de vraag of prestaties gelijkwaardig zijn wegen alle relevante omstandigheden van het geval mee, waarbij onder meer kan worden gedacht aan de aard van het product en de kosten van levering. [24]
exclusionary abuses) en uitbuitingsmisbruiken (
exploitative abuses). Uitsluitingsmisbruiken zien op gedrag dat is gericht op kort gezegd het van de markt drukken van een of meer concurrenten (horizontaal) door bijvoorbeeld leveringsweigering, koppelverkoop, kortingsstelsels of kunstmatig lage prijzen. Deze vormen van misbruik plegen de meeste aandacht te krijgen van de Commissie. [25] Bij een uitbuitingsmisbruik kan een onderneming met een machtspositie, ongehinderd door de druk van concurrentie, hoge prijzen rekenen aan gebruikers of lage prijzen afdwingen van leveranciers (verticaal). Het is in de regel lastig uit te maken wanneer een prijs ‘te hoog’ of ‘te laag’ is. Er is niet één
iustum pretium.
Kanal 5 en TV 4.Daar ging het om royalty’s voor de uitzending van muziekwerken op televisie. De royalty’s werden verschillend berekend naargelang het commerciële of publieke televisiezenders betrof. Het Hof van Justitie oordeelde dat de rechter moet nagaan of (i) de cbo ongelijke voorwaarden toepast bij gelijkwaardige prestaties, (ii) daarmee nadeel berokkent bij de mededinging en (iii) of een dergelijke praktijk objectief gerechtvaardigd is. [36] Het Hof van Justitie sprak zich in die zaak niet expliciet uit over het (causale) verband tussen een verschil in tarieven en een concurrentienadeel op de stroomafwaartse markt. [37]
MEOuit 2018, dat voor de onderhavige zaak relevant is. [38] Het ging daar om twee concurrerende betaaltelevisiezenders, waarvan de een (MEO) bij de Portugese mededingingsautoriteit erover had geklaagd dat hij aan de cbo voor naburige rechten (GDA) hogere vergoedingen moest betalen dan de andere betaaltelevisiezender. De Portugese mededingingsautoriteit oordeelde dat misbruik als bedoeld in art. 102 sub c VWEU Pro niet was aangetoond en wees de klacht af. In het beroep tegen dat besluit stelde de Portugese rechter prejudiciële vragen. In zijn arrest heeft het Hof van Justitie verduidelijkt op welke wijze de rechter moet bepalen of een verschil in tarieven een nadeel bij de mededinging berokkent in de zin van art. 102 sub c VWEU Pro.
MEO-arrest:
alle relevante omstandighedendie verband houden met de betrokken transacties, alsook met de kenmerken van de markt waarop de handelspartners van de onderneming met een machtspositie werkzaam zijn. [40]
effect based approach’wordt genoemd. [41] Wat daar ook van zij, uit het
MEO-arrest kan dat in elk geval niet worden opgemaakt. [42] Het Hof van Justitie oordeelt dat de
mogelijkheidvan nadeel bij de mededinging op de stroomafwaarts markt kan volstaan om misbruik als bedoeld in art. 102 sub c VWEU Pro aan te kunnen nemen. Dit blijkt uit het dictum van het arrest (onderstreping toegevoegd):
een verstoring van de mededinging tussen deze handelspartners tot gevolg kan hebben. Voor de vaststelling van een dergelijk „nadeel bij de mededinging” is geen bewijs van een daadwerkelijke en kwantificeerbare verslechtering van de mededingingspositie vereist, maar die vaststelling moet worden gebaseerd op een analyse van alle relevante omstandigheden van het concrete geval die de slotsom rechtvaardigt dat die gedraging invloed heeft op de kosten, winsten, of enig ander relevant belang van een of meer van voornoemde partners, zodat deze gedraging die mededingingspositie
kanaantasten.”
MEOwas het gestelde nadeel rechtstreeks het gevolg was van het toepassen van twee verschillende tarieven door de cbo in kwestie. Daar zaten geen handelingen van andere partijen tussen. In deze zaak daarentegen is niet aan de orde of het verschil in de door Buma/Stemra toegepaste tarieven (als zodanig) tot verstoring van de concurrentie op de stroomafwaartse markt kan leiden. De directe oorzaak van het gestelde nadeel bij de mededinging is het gedrag van ondernemers die hun streamingabonnement in strijd met de daaraan gestelde voorwaarden bedrijfsmatig gebruiken.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelbestaat uit klachten over de oordelen inzake de (verdeling van de) stelplicht en bewijslast. Het
tweede onderdeelis gericht tegen het oordeel dat Buma/Stemra een machtspositie heeft en klaagt over de door het hof uitgevoerde marktafbakening. Met het
derde onderdeelbevat motiveringsklachten over oordelen van het hof met betrekking tot de licentie voor streamingsdiensten. In het
vierde onderdeelbetoogt Buma/Stemra dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat sprake is van gelijkwaardige prestaties en ongelijke voorwaarden. Met het
vijfde onderdeelkeert Buma/Stemra zich tegen overwegingen van het hof over het element ‘nadeel bij de mededinging’. Tenslotte betoogt het
zesde onderdeeldat het hof in strijd met art. 23 Rv Pro een beslissing heeft gegeven die niet door AMBD c.s. is gevorderd of verzocht.
onderdeel 1.1over rov. 3.2.3 t/m rov. 3.2.5 van het tussenarrest. Die overwegingen luiden:
NNEK/ […]); HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:4). Die eis geldt met name in gevallen waarin de verweerder, anders dan de eisende partij, beschikt of geacht moet worden te beschikken over gegevens die voor die bewijslevering van belang kunnen zijn. Indien de verweerder in zo’n geval niet voldoet aan deze verzwaarde onderbouwingsplicht, zal de rechter blijkens de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad onder meer de stellingen van de eisende partij als onvoldoende betwist en daarmee vaststaand kunnen aanmerken, of deze als voorshands bewezen aanmerken behoudens tegenbewijs door de verwerende partij.
ANVR/IATAoverwogen dat degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het
mededingingsrechthandelt, dit dient te onderbouwen met de relevante feiten en omstandigheden: [47]
IATA-arrest heeft overwogen.
leveringslast. [50] Zo kan de rechter een informatieplicht opleggen aan de wederpartij van de partij met de bewijslast. Van die wederpartij mag worden verlangd dat zij ter motivering van haar betwisting bepaalde gegevens verschaft (aanknopingspunten voor de bewijslevering). [51] De ratio hiervan is dat als de bewijslevering door de partij met de bewijslast te zwaar wordt, zo zwaar zelfs dat zij illusoir zou zijn, de rechtsbescherming die het materiële recht deze partij beoogt te bieden te zeer in het gedrang komt. Mede daarom is toepassing van deze uitzondering over het algemeen gereserveerd voor gevallen waarin sprake is van bewijsnood omdat de wederpartij beschikt of zou moeten beschikken over cruciale gegevens. [52] Het is in beginsel aan de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten welke sanctie hij in de gegeven omstandigheden passend acht indien een partij op wie een verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet voldoet. In de regel zal voor de hand liggen dat de rechter de bewijslast niet omkeert, maar de stellingen van de partij op wie de bewijslast rust hetzij (als onvoldoende betwist) als vaststaand aanneemt, hetzij deze stelling voorshands bewezen acht behoudens tegenbewijs door de partij op wie de informatieplicht rust. [53]
leveringslast wordt door de extra informatie echter verlicht. Dat wil praktisch gezien zeggen dat makkelijker kan worden voldaan aan de (in tact gebleven) stelplicht en bewijslast. Daarmee wordt het bewijs
risicovoor ABMD c.s. verlicht. De kans dat dit risico zich voor ABMD c.s. verwezenlijkt wordt immers verkleind. [56] De klachten falen.
onderdeel 1.2ten eerstedat het hof heeft miskend dat de door haar te verstrekken gegevens (als bedoeld in rov. 3.2.4 tussenarrest) geen feiten en omstandigheden zijn die van belang zijn voor de afbakening van de relevante markt of voor het bepalen van een mogelijke machtspositie van Buma/Stemra op die markt. De voor de beoordeling van deze aspecten belangrijkste gegevens zijn bovendien voor ABMD c.s. beschikbaar uit openbare bronnen. [57] Ten tweedeheeft het hof niet kenbaar gemotiveerd waarom en in welk opzicht de door Buma/Stemra te verstrekken gegevens van belang zijn voor de beslissing. Ook in het eindarrest heeft het hof dit niet kenbaar gemotiveerd. Ter illustratie hiervan wijst Buma/Stemra op rov. 2.1 van het eindarrest, waarin het hof in het midden heeft gelaten in hoeverre Buma/Stemra aan haar informatieplicht heeft voldaan en wat daarvan de gevolgen zijn. [58]
linker kolomstaan verticaal gerangschikt de markten voor
bedrijfsmatig gebruikvan achtergrondmuziek:
markt I.A.
markt I.B.
markt I.C.
rechterkolomstaan de markten
voor privégebruikvan (achtergrond)muziek:
markt II.A.
markt II.B.
markt II.C.
subonderdeel 2.1.1richt Buma/Stemra een rechtsklacht tegen rov. 2.2.1 van het eindarrest. Daar overweegt het hof:
bemiddelinginzake muziekauteursrecht. Uit deze bepaling volgt niet dat toestemming voor het bedrijfsmatig afspelen in Nederland uitsluitend van Buma/Stemra verkregen kan worden. Toestemming voor het bedrijfsmatig afspelen in Nederland kan ook rechtstreeks van auteursrechthebbenden (zonder bemiddeling) worden verkregen.
afspelen.Daarmee is bedoeld de openbaarmakingslicentie (markt II.C). Dat oordeel is juist.
beschikbaar stellenvan muziek ten behoeve van bedrijfsmatig afspelen dan wel voor het
on demandbeschikbaar stellen van muziek, dan is dit oordeel onjuist althans onvoldoende gemotiveerd.
afspelenvan muziek. Dit volgt ook uit rov. 2.2.2, welke overweging wél ziet op toestemming voor het beschikbaar stellen van muziek, alsmede uit rov. 2.2.3, waarin onder terugverwijzing naar rov. 2.2.1 en rov. 2.2.2 onderscheid wordt gemaakt tussen de zeggenschap van Buma/Stemra over het verlenen van toestemming voor het beschikbaar stellen van muziek aan abonnees en de zeggenschap van Buma over het door die abonnees bedrijfsmatig afspelen van muziek.
WTGCB). Art. 2l lid 1 WTGCB schrijft voor dat cbo’s en gebruikers in goed vertrouwen onderhandelen over licentieverlening. Art. 2l lid 2 bepaalt dat licentievoorwaarden gebaseerd zijn op objectieve en niet-discriminerende criteria en dat tarieven billijk zijn in verhouding tot onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer en in verhouding tot de economische waarde van de door de cbo verstrekte dienst.
CvTA) vereist. Het CvTA kan voorts aan cbo’s adviezen en bindende aanwijzingen geven (art. 6). [67] Van die bevoegdheid is tot dusver weinig gebruik gemaakt. [68]
Uit de door Buma/Stemra verstrekte toelichting”). In cassatie is dat een feitelijk oordeel. [71]
subonderdeel 2.2.1 slaagt, maar subonderdeel 2.2.2 faalt.
subonderdeel 2.2.3haalt het slagen van subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 alle oordelen in het eindarrest onderuit die voortbouwen op de bestreden oordelen in rov. 2.2.2 en 2.2.3.
slaagt voor zover zij is gericht tegen rov. 2.2.5, waarin het hof voortbouwt op zijn oordeel in rov. 2.2.3 dat Buma/Stemra de zeggenschap heeft over het verlenen voor toestemming tot het beschikbaar stellen van muziek aan abonnees. De overige oordelen waar Buma/Stemra in subonderdeel 2.2.3 naar verwijst (in rov. 2.2.8, 2.2.10 en 2.2.15) bouwen voort op de vaststelling dat Buma/Stemra een machtspositie heeft als bedoeld in art. 102 VWEU Pro/art. 24 Mw Pro. Dát oordeel staat weliswaar in rov. 2.2.3, maar die vaststelling wordt niet (kenbaar) met het slagende subonderdeel 2.2.1 aangevochten.
onderdeel 2.3betoogt Buma/Stemra dat het oordeel in rov. 2.2.3 van het eindarrest (hiervoor geciteerd in 5.26) rechtens onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Daarin oordeelt het hof dat Buma en Stemra gezamenlijk beschikken over een machtspositie op de markt van auteursrechtlicentiëring voor het beschikbaar stellen van muziek ten behoeve van het bedrijfsmatig afspelen daarvan (markt I.A).
subonderdeel 2.3.2, geldt het volgende.
Bekendmaking). [73] In punt 13 van de Bekendmaking (dat is een niet-bindend maar wel gezaghebbend beleidsdocument) identificeert de Commissie drie bronnen van concurrentiedwang: substitueerbaarheid aan de vraagzijde, substitueerbaarheid aan de aanbodzijde en potentiële concurrentie. Indien goederen of diensten substitueerbaar zijn, moeten zij worden gerekend tot dezelfde productmarkt.
downstream) markt, dat wil zeggen
de positie van Buma/Stemra ten opzichte van haar ‘afnemers’ van licentiëring voor het gebruik van muziekwerken. Daartoe zal ook moeten komen vast te staan dat de betrokken afnemers, in dit geval de ABMD-leden enerzijds en de streamingdiensten anderzijds, zich op dezelfde markt bevinden, zowel in geografisch opzicht als wat betreft de inhoud en uitwisselbaarheid van de door hen aangeboden diensten (hierna: de relevante markt). [74]
slaagt de motiveringsklacht van subonderdeel 2.3.2. [75]
slaagt de rechtsklacht van subonderdeel 2.3.1.
subonderdeel 2.3.3beroept Buma/Stemra zich op het door de WTGCB geschapen wettelijk kader (zie hiervoor 5.28). Daaruit zou volgen dat Buma/Stemra zich niet in belangrijke mate onafhankelijk kan gedragen van haar afnemers of eindgebruikers, de licentienemers. In dit licht is rechtens onjuist het oordeel in rov. 2.2.3 van het eindarrest dat Buma/Stemra een machtspositie inneemt. Buma/Stemra is op grond van art. 2l lid 2 WTGCB immers verplicht om, zakelijk weergegeven, in goed vertrouwen te onderhandelen en om licentievoorwaarden te hanteren die gebaseerd zijn op objectieve en niet-discriminerende criteria en tarieven voor exclusieve rechten en rechten op vergoeding te hanteren die billijk zijn. Verder behoeven de algemene voorwaarden en tariefsverhogingen voorafgaande schriftelijke toestemming van het CvTA (art. 3 WTGCB Pro). Ook ten opzichte van haar ‘leveranciers’, de rechthebbenden, kan Buma/Stemra zich niet onafhankelijk gedragen omdat Buma/Stemra verplicht is om op verzoek van rechthebbenden beschermd materiaal te beheren (art. 2a lid 2 WTGCB).
voor het betrokken repertoirezowel de zeggenschap heeft over het verlenen van toestemming voor het beschikbaar stellen van muziek aan abonnees als over het door die abonnees bedrijfsmatig afspelen van die muziek. Indien de woorden ‘voor het betrokken repertoire’ zo moeten worden begrepen dat het hof de markt van licentiëring voor het beschikbaar stellen van muziek ten behoeve van het bedrijfsmatig afspelen zo heeft afgebakend dat die markt beperkt is tot het repertoire van Buma/Stemra, dan is dat oordeel rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
subonderdeel 2.3.5vitiëren de klachten van subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.4 ook ‘alle oordelen’ die voortbouwen op het bestreden oordeel in rov. 2.2.3 van het eindarrest, dat Buma en Stemra gezamenlijk over een machtspositie beschikken op de markt voor auteursrechtlicentiering voor het beschikbaar stellen van muziek ten behoeve van het bedrijfsmatig afspelen daarvan.
Deze klacht slaagt, omdat het slagen van de hiervoor genoemde klachten uit de subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2 over de marktafbakening tot gevolg heeft dat de argumenten van Buma/Stemra die potentieel afbreuk doen aan de vastgestelde machtspositie, alsnog succes zouden kunnen hebben. Een deel van de grondslag komt te ontvallen aan het oordeel dat sprake is van een machtspositie, en wat nog van de gegeven redengeving overeind staat volstaat niet om die kwalificatie zelfstandig te kunnen dragen.
In zoverre zijn de streamingdiensten en de ABMD-leden op die feitelijk bestaande markt, die dus afwijkt van de ogenschijnlijke, theoretische markt, elkaars concurrenten.”
subonderdeel 2.4.1begrijpt Buma/Stemra de verwijzing naar ‘de bedoelde markt’ in die rechtsoverweging zo dat het hof hiermee bedoelt de in rov. 2.2.1 vermelde markt van het beschikbaar stellen van muziek aan bedrijfsmatige afnemers voor het gebruik daarvan als achtergrondmuziek in hun bedrijfsruimten (markt I.B). Op die markt fungeren zowel de ABMD-leden als de streamingdiensten als ‘aanbieders’, aldus het hof in rov. 2.2.4. Mocht het hof hebben bedoeld te verwijzen naar de in rov. 2.2.3 vermelde markt van licentiëring voor het beschikbaar stellen van muziek voor het bedrijfsmatig afspelen daarvan (markt I.A), dan is dat onbegrijpelijk omdat de ABMD-leden op die markt niet als aanbieders maar als afnemers fungeren.
klacht slaagt. Aannemelijk is dat het hof met ‘de bedoelde markt’ het oog heeft gehad op de markt van het beschikbaar stellen van muziek aan bedrijfsmatige afnemers voor het gebruik daarvan als achtergrondmuziek in hun bedrijfsruimten (markt I.B; zie rov. 2.2.1). Op die markt zijn ABMD-leden aanbieder, zoals Buma/Stemra terecht stellen. Buma/Stemra is zelf geen aanbieder, want is actief op de stroomopwaartse markten, waarop ABMD-leden (markt I.A) respectievelijk streamingdiensten (markt II.A) haar afnemer zijn.
subonderdeel 2.4.2klaagt Buma/Stemra dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het heeft miskend dat de omstandigheid dat de dienst van de streamingdiensten verkrijgbaar is voor ondernemers op de markt van het beschikbaar stellen van muziek voor bedrijfsmatig afspelen, en door hen in toenemende mate ook daadwerkelijk wordt gebruikt voor bedrijfsmatig afspelen, niet meebrengt dat de streamingdiensten hun dienst op die markt aanbieden. Uit de gebruiksvoorwaarden van streamingdienst Spotify blijkt het tegendeel (zie rov. 2.9 tussenarrest).
klacht slaagt. Het hof overweegt in rov. 2.2.4 dat streamingdiensten zich niet primair richten op de markt voor het beschikbaar stellen van muziek voor bedrijfsmatig afspelen. Ik maak hieruit op dat het hof zich ervan bewust is dat het aanbod van streamingdiensten niet is gericht op bedrijfsmatig gebruik. Het gaat er echter om volgens hof, dat de dienst in de praktijk alsnog wel in toenemende mate wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig afspelen van muziek. Dat is ook waar ABMD c.s. zich over beklagen. Zoals ik in hiervoor in 5.42 al heb toegelicht, kan deze enkele praktijk van bepaalde ondernemers niet ertoe leiden dat de streamingdiensten naast de ABMD-leden aanbieder zijn (geworden) op markt I.B. Ik merk terzijde op dat het meergenoemde schema van ABMD c.s. (in s.t. onder 0.4.2) de feitelijke situatie ook zo weergeeft dat het aanbod van de streamingdiensten door tussenkomst van de consument bedrijfsmatig wordt gebruikt en niet rechtstreeks door de streamingdiensten.
subonderdeel 2.4.3, omdat het hof heeft miskend dat de diensten (c.q. producten) van de streamingdiensten en die van de ABMD-leden door de afnemers ervan niet als onderling verwisselbaar worden beschouwd. Hoewel het oordeel zo kan worden begrepen dat het hof overweegt dat de dienst van de ABMD-leden verwisselbaar of substitueerbaar is met de dienst van de streamingdiensten, heeft het hof omgekeerd niet vastgesteld dat de dienst van de streamingdiensten ook verwisselbaar of substitueerbaar is met de dienst van de ABMD-leden. Omdat niet is vastgesteld dat de diensten als onderling verwisselbaar of substitueerbaar kunnen worden beschouwd, kan ook niet worden aangenomen dat de diensten tot dezelfde markt behoren, en dus evenmin dat de streamingdiensten en ABMD-leden elkaars concurrenten zijn. Het gaat hier dus (weer) om de downstreammarkt I.B.
France Télécom. [81] De Commissie had in die zaak geconcludeerd dat zich asymmetrische substitueerbaarheid voordeed tussen snel (maar duurder) internet en langzaam (maar goedkoper) internet. Klanten wisselde wel van langzaam naar snel internet, maar andersom gebeurde dat niet of nauwelijks ondanks de lagere prijs. De verschillen in functionaliteiten waren kennelijk te groot. De Commissie stelde vast dat de producten daarom tot niet tot dezelfde markten behoorden. [82]
onderlingesubstitueerbaarheid van de aangeboden diensten. Zoals Buma/Stemra terecht klaagt, lijkt het hof alleen oog te hebben voor de substitueerbaarheid van de dienst (c.q. het product) van de ABMD-leden met de dienst voor streamingdiensten. Oog voor (a)symmetrie van de substitueerbaarheid heeft het hof niet, terwijl Buma/Stemra daar bij het hof wel op had gewezen. [83] De klacht slaagt.
zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht slaagt.
slaagt de voortbouwklacht.
Grief IV van Buma/Stemra in incidenteel hoger beroep is weliswaar gericht tegen die overweging, maar uit de onderbouwing van de grief blijkt dat Buma/Stemra erkent dat hetgeen de rechtbank overweegt klopt voor de licentie die de streamingdienst van Buma/Stemra verkrijgt; de strekking van de grief is slechts dat dit niet betekent dat ook de gebruikers van de streamingdienst – de horeca-ondernemers etc. – (slechts) een licentie van Buma hebben voor privégebruik en dus niet voor zakelijk gebruik. De grief bestrijdt dus niet dat de licenties van Buma/Stemra aan de streamingdiensten alleen betrekking hebben op beschikbaar stellen voor privégebruik. (…).”
subonderdeel 3.1.1dat het onderstreepte deel van deze overweging berust op een onbegrijpelijke lezing van rov. 4.12 van het vonnis. Daar oordeelt de rechtbank niet over de licentie van de streamingdiensten, maar over de licentie van de zakelijke gebruikers van streamingdiensten. Voor een goed begrip citeer ik de relevante delen van rov. 4.12 van het vonnis (onderstreping toegevoegd):
terwijl de zakelijke gebruikers van streamingdiensten een licentie voor privégebruik hebben en dus geen licentie voor zakelijk gebruik;
van Bumahebben voor privégebruik en dus niet voor zakelijk gebruik. Dat klopt niet. De cafés en winkels die een Buma licentie hebben, hebben toestemming om de muziek voor zakelijke doeleinden ten gehore te brengen. Dat is juist het doel van de licentie.”
nietop de licentie van Buma/Stemra aan de streamingdiensten. Het hof heeft rov. 4.12 van het vonnis kennelijk anders gelezen. Dat is onbegrijpelijk, maar omdat Buma/Stemra niet klaagt over de gegeven uitleg van grief IV heeft zij geen belang bij het slagen van deze klacht. Daardoor blijft namelijk in stand de overweging van het hof dat Buma/Stemra deze (verkeerde) lezing erkent in de memorie van grieven en dat grief IV niet bestrijdt dat de licenties van Buma/Stemra aan de streamingdiensten alleen betrekking hebben op beschikbaar stellen van muziek voor privégebruik.
subonderdeel 3.1.2, omdat het hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken de essentiële stelling van Buma/Stemra dat de aanbieders van streamingdiensten een licentievergoeding betalen over “
de totale abonneeomzet, dus ook voor cafés en winkels met een Spotify-abonnement” (MvA/MvG-inc. Buma/Stemra, onder 60).
achterafbehaalde deel van de omzet waarvoor wordt afgedragen door de streamingdiensten, maar dat zegt (zonder nadere toelichting) niets over de inhoud van de
voorafgaandetoestemming die Buma/Stemra aan de streamingdiensten geeft. Op dit laatste ziet de bestreden overweging. Overigens lijkt de stelling, zonder nadere toelichting, ook onjuist. Spotify richt zich immers op consumenten, zo staat vast. Ook daarom hoefde het hof niet op deze stelling in te gaan.
subonderdeel 3.1.3kan gelet op vorenstaande bespreking van subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2 ook niet slagen.
onderdeel 3.2keert Buma/Stemra zich tegen rov. 2.2.6 (hiervoor geciteerd in 5.39). In een notendop klaagt Buma/Stemra over de onverenigbaarheid van deze overweging met rov. 2.2.4.
klacht slaagtdus ook.
bedoelde licentieverlening aan ondernemers voor het bedrijfsmatig afspelen van muziek in hun bedrijfsruimte (zoals horeca en winkelbedrijven), maakt Buma geen onderscheid tussen ondernemers die de daarvoor gebruikte muziek verkrijgen van een ABMD-lid of van een streamingdienst.Die ondernemers verkrijgen derhalve van Buma licentie voor het in hun bedrijfsruimte afspelen van muziek, ongeacht of hun toeleverancier aan Buma/Stemra een vergoeding heeft betaald voor het aan hen beschikbaar stellen van die muziek voor bedrijfsmatig afspelen (zoals de ABMD-leden) of niet (zoals de streamingdiensten).
in samenhang met de wijze van licentieverlening door Buma/Stemra zoals hiervoor omschreven onder 2.2.5,dat Buma/Stemra jegens haar afnemers, voor zover die zelf toeleveranciers zijn op de markt van beschikbaarstelling van muziek voor bedrijfsmatig afspelen, voor een gelijkwaardige prestatie ongelijke voorwaarden hanteert:
streamingdiensten verrichten die beschikbaarstelling feitelijk zonder dat Buma/Stemra daarvoor een vergoeding verlangt, maar van de ABMD-leden verlangt Buma/Stemra(al of niet via Sabam)
voor die beschikbaarstelling wel een vergoeding in de vorm van het AGM-tarief. Dit is gedrag dat in beginsel onder het bereik van art. 102 sub c VWEU Pro valt.”
leveling up) zal met de streamingdiensten moeten worden overeengekomen. Als zij een dergelijke prijsverhoging zullen doorberekenen in hun abonnementsprijs gaan de abonnees (consumenten) meer betalen. Een ander en vermoedelijk beter alternatief om de vermeende ongelijkheid in de voorwaarden te beëindigen zou zijn de tarieven voor de ABMD-leden te verlagen, mogelijk naar het niveau van de tarieven van streamingdiensten (
leveling down)
.Over een aanpassing met die strekking is kennelijk tussen partijen gesproken. [88] Een dergelijke tariefsverlaging zou dan mogelijk ook moeten worden toegekend aan andere afnemers van Buma/Stemra die net als de ABMD-leden achtergrondmuziek ter beschikking stellen voor bedrijfsmatig gebruik. Zo bezien is de licentievergoeding die aan streamingdiensten in rekening wordt gebracht, niet ook een knop waaraan makkelijk kan worden gedraaid om het door het hof veronderstelde nadeel van ABMD-leden te remediëren.
het AGM-tarief minstens vergelijkbaar met, en in de meeste gevallen zelfs gunstiger is dan, het tarief dat de streamingdiensten betalen.” [90] Het hof is op zijn beurt dat debat weer uit de weggegaan, door te oordelen dat de streamingdiensten niet iets (extra’s) hoeven te betalen voor het ter beschikking stellen van muziek aan ondernemingen voor bedrijfsmatig gebruik, terwijl de ABMD-leden daarvoor wel moeten betalen. Hoe Buma/Stemra vervolgens aan die tarifaire ongelijkheid een einde maakt is haar keuze (vgl. rov. 2.4.1 eindarrest) en laat onverlet dat Buma/Stemra misbruik van machtspositie heeft gemaakt, aldus het hof.
heeftgeoordeeld over de gelijkwaardigheid van de producten c.q. diensten die Buma/Stemra levert aan enerzijds de ABMD-leden (markt I.A) en anderzijds de streamingdiensten (markt II.A). Buma/Stemra leest het oordeel zo dat het hof daar het oog heeft op de gelijkwaardigheid van de diensten die ABMD-leden en, in de benadering van het hof, ook de streamingdiensten aan ondernemers leveren op de stroomafwaartse markt I.B. De klachten berusten op die verkeerde lezing.
subonderdeel 4.2.1stelt Buma/Stemra dat het hof met zijn oordeel dat Buma/Stemra voor de beschikbaarstelling van muziek voor bedrijfsmatig afspelen van de streamingdiensten geen vergoeding verlangt maar van de ABMD-leden wel, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, art. 24 Rv Pro heeft geschonden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. ABMD c.s. hebben namelijk niet betoogd dat de streamingdiensten geen vergoeding betalen en de ABMD-leden wel, maar dat het tarief van de streamingdiensten veel lager ligt dan het AGM-tarief dat de ABMD-leden betalen. Buma/Stemra heeft dit ook zo begrepen, want zij heeft de stelling bestreden met een vergelijking tussen de tarieven en laten zien dat het AGM-tarief vergelijkbaar is met, en in de meeste gevallen zelfs
lageruitkomt dan het tarief dat de streamingdiensten betalen.
De aanbieders van online muziekdiensten voor consumenten ervaren dergelijke nadelige gevolgen niet, omdat zij de gewraakte tarieven niet betalen. Zij betalen wellicht een (mogelijk variabel) tarief per abonnee, maar dit tarief zal, gelet op de abonnementsprijzen die zij hanteren, aanzienlijk lager liggen dan de tarieven die aan distributeurs van achtergrondmuziek in rekening worden gebracht.”
bedrijfsmatigafspelen daarvan en in elk geval niet het AGM-tarief. Dat Buma/Stemra wel
eentarief rekent aan de streamingdiensten doet aan dat oordeel niet af.
subonderdelen 4.2.4-4.2.6richten klachten tegen rov. 2.2.12 van het eindarrest. Deze overweging luidt (onderstreping toegevoegd):
Waarom betekenis zou toekomen aan ongelijkheid tussen de vergoedingen voor twee licenties die van elkaar verschillen valt, zonder nadere toelichting, niet in te zien.”
subonderdeel 4.2.4richt Buma/Stemra haar pijlen op de laatste (onderstreepte) zin van rov. 2.2.12. Dat oordeel is volgens haar onbegrijpelijk, omdat de diensten van streamingdiensten en ABMD-leden van elkaar verschillen in die zin dat de streamingdiensten hun diensten niet aanbieden aan ondernemers die muziek inkopen voor bedrijfsmatig afspelen. Aan dat verschil gaat het hof voorbij in rov. 2.2.4 van het eindarrest, waar het overweegt dat het gaat om de feitelijk bestaande markt en niet om de ogenschijnlijke, theoretische markt. Op de feitelijk markt zijn streamingdiensten en de ABMD-leden elkaars concurrenten. Als dat zo is, dan komt ook betekenis toe aan de door Buma/Stemra gemaakte vergelijking tussen het AGM-tarief en het streamingtarief.
subonderdeel 4.2.5heeft als mikpunt de laatste zin van rov. 2.2.12. De overweging dat niet is toegelicht waarom betekenis toekomt aan de vergelijking tussen het AGM-tarief en het streamingtarief, miskent dat Buma/Stemra gezien het partijdebat geen aanleiding had deze betekenis toe te lichten. Ook ABMD c.s. heeft immers beide tarieven met elkaar vergeleken en is dus eveneens uitgegaan van de relevantie van deze vergelijking.
nietis toegelicht welke betekenis toekomt aan de ongelijkheid van de vergoedingen, maar dat een
naderetoelichting nodig is. Ten tweede geeft het partijdebat wel aanleiding tot een nadere toelichting, gelet op onder andere de in 5.80 geciteerde passage uit de inleidende dagvaarding, waarin staat dat de streamingdiensten
niethet tarief betalen voor het beschikbaar stellen van muziek voor het bedrijfsmatig afspelen daarvan.
subonderdeel 4.2.6, luidt dat ‘het oordeel’ dat Buma/Stemra ongelijke voorwaarden hanteert door geen vergoeding te verlangen van de streamingdiensten voor de beschikbaarstelling van muziek voor bedrijfsmatig afspelen (maar van de ABMD-leden wel een vergoeding te verlangen), onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd op de gronden van de subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2.
terwijl op het niveau van de licenties voor eindgebruikers aan dat onderscheid geen gevolgen worden verbonden, ligt het voor de hand dat de wel betalende afnemers van deze ongelijkheid nadeel kunnen ondervinden in hun concurrentie met de afnemers van wie Buma/Stemra deze vergoeding niet verlangt. De gemotiveerde stellingen in dit verband van ABMD c.s. zijn door Buma/Stemra niet, althans niet voldoende onderbouwd, betwist.”
het voor de hand ligt” dat de ABMD-leden nadeel kunnen ondervinden bij hun concurrentie met streamingdiensten als Spotify.
MEO-arrest waaruit blijkt dat het gedrag van de onderneming met een machtspositie erop gericht moet zijn een verstoring van de mededinging te veroorzaken. Ik citeer (onderstreping toegevoegd):
tends, having regard to the whole of the circumstances of the case, to lead to a distortion of competitionbetween those business partners that the discrimination between trade partners which are in a competitive relationship may be regarded as abusive.”
tends to lead’ is namelijk vertaald met ‘
heeft tot doel’, wat duidelijk een andere betekenis heeft. Andere taalversies zijn (meer) in lijn met de Engelse taalversie. Ik citeer de annotatie van Van Damme en Sauter (zonder voetnoten): [91]
qu’il tend à fausser), in de Portugese procestaal van deze zaak (
mas ainda suscetível de falsear esta relação de concorrência), en in het alom geraadpleegde Engels (
tends to distort) maken duidelijk dat het om een heel andere toets gaat, nl. of het gedrag de neiging heeft om de concurrentie te verstoren, of daarnaar tendeert. In onze visie impliceert ‘de neiging hebben’ een ruimere toets dan ‘tot doel hebben’, zodat hieronder eerder sprake zal zijn van verstoring van de mededinging.”
“… darauf gerichtet ist, eine Wettbewerbsverzerrung zwischen diesen Handelspartnern herbeizuführen.” Uit al deze taalversies blijkt verder dat bij het onderzoek naar effecten van het gedrag van de dominante onderneming op de concurrentieverhoudingen tussen afnemers acht geslagen moet worden op alle omstandigheden van het geval bezien in onderlinge samenhang (het ‘geheel’ van alle omstandigheden).
subonderdeel 5.1.1betoogt Buma/Stemra dat het oordeel dat sprake is van ‘eenzelfde prestatie’ van ABMD-leden en de streamingdiensten voortbouwt op de eerdere oordelen in rov. 2.2.4 en rov. 2.2.7. Dit oordeel is volgens haar dan ook op dezelfde gronden als die andere oordelen rechtens onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het middel verwijst daarbij naar de subonderdelen 2.4.4 en 4.1.1.
subonderdeel 5.1.2geeft Buma/Stemra allereerst haar primaire lezing van rov. 2.2.9, die inhoudt dat de daarin gegeven oordelen niet zelfstandig dragend zijn. Zouden deze oordelen wel zelfstandig dragend zijn, dan zijn ze rechtens onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft het effect van de gestelde ongelijkheid namelijk niet (deugdelijk) onderzocht en de oordelen ook niet gebaseerd op een analyse van alle relevante omstandigheden van het concrete geval die de slotsom rechtvaardigt dat die gedraging invloed heeft op de kosten, winsten, of enig ander relevant belang van een of meer van de ABMD-leden, zodat deze ongelijkheid die mededingingspositie kan aantasten. De rechtsklacht bevat een verwijzing naar het
MEO-arrest. Volgens Buma/Stemra zijn de oordelen bovendien onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof zonder kenbare motivering volledig voorbijgaat aan het betoog van Buma/Stemra dat de ABMD-leden
geennadeel bij de mededinging ondervinden.
Het hof neemt hierbij ook het volgende in aanmerking.”), maar zonder die overwegingen zou de conclusie over nadeel bij de mededinging nog steeds kunnen worden gedragen door rov. 2.2.9. Dan moet die overweging uiteraard wel hout snijden. Ik kom daarom toe aan een bespreking van de klachten die het subonderdeel richt tegen die rechtsoverweging.
rechtsklacht slaagtin het licht van het
MEO-arrest. Uit het door mij zojuist in 5.93 onderstreepte gedeelte van punt 27 van die uitspraak, blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of gedrag van een dominante onderneming op de downstreammarkt kan leiden tot nadeel in de mededinging, acht geslagen moet worden op het geheel van omstandigheden van het geval. Uit rov. 2.2.9 van het bestreden arrest blijkt niet dat het hof dat hier heeft gedaan. Het hof overweegt weliswaar dat het zijn oordeel over nadeel bij de mededinging baseert op ‘
alle omstandigheden van dit geval’, maar vermeldt niet welke omstandigheden dat dan zijn. Hiermee wordt niet meer dan lippendienst bewezen aan het
MEO-arrest. Het hof geeft immers niet een analyse zoals het Hof van Justitie die verlangt en in ieder geval geen analyse die de slotsom rechtvaardigt dat de gelaakte gedraging van Buma/Stemra invloed heeft op de kosten, winsten of enig ander relevant belang van de ABMD-leden.
the mere presence of an immediate disadvantage affecting operators who were charged more, compared with the tariffs applied to their competitors for an equivalent service, does not, however, mean that competition is distorted or is capable of being distorted.”
worden geëist datbovendienhet bewijs wordt geleverd van een daadwerkelijke en kwantificeerbare verslechtering van de mededingingspositie van de handelspartners individueel beschouwd” (punt 27 laatste zinsdeel), laat het voorgaande onverlet. Het door mij onderstreepte woord ‘bovendien’ bevestigt de hier verdedigde lezing van het
MEO-arrest.
onderdeel 5.2zich tegen rov. 2.2.10:
Ten eersteis het oordeel dat sprake is van ‘de bedoelde situatie’ of ‘de bedoelde ongelijkheid’ rechtens onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd op de gronden van subonderdelen 4.2.1 t/m 4.2.6. Hiervoor heb ik geoordeeld dat in die subonderdelen aangevoerde klachten alle falen. Daarmee valt voor deze voortbouwklacht het doek.
Ten tweedeis onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel dat de streamingdiensten voor de benodigde toestemming tot beschikbaar stellen van muziek aan hun abonnees voor bedrijfsmatig afspelen in Nederland altijd terecht zouden moeten bij Buma/Stemra. De
klacht slaagtin het kielzog van onderdeel 3.2, waarin met recht wordt geklaagd over de onverenigbaarheid van rov. 2.2.6 met rov. 2.2.4.
Ten derdeis rechtens onjuist het oordeel dat de abonnees van de streamingdiensten voor de benodigde licentie tot bedrijfsmatig afspelen in hun bedrijfsruimte alleen terecht zouden kunnen bij Buma, op de gronden genoemd in de subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2. De
klacht slaagtvoor zover zij is gebaseerd op de gronden in subonderdeel 2.1.1. [94] Zoals Buma/Stemra daar terecht betoogt, heeft Buma een (wettelijk)
bemiddelingsmonopolie, wat niet betekent dat muziekauteurs en hun rechtverkrijgenden (zoals muziekuitgevers) niet zelf hun rechten kunnen uitoefenen.
Ten vierdeis het (impliciete) oordeel dat Buma/Stemra eigenmachtig tegen de licentievoorwaarden zou kunnen optreden, volgens haar rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk op de gronden van de klachten genoemd in subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2. Ook deze
klacht slaagt, omdat de klacht in het eerstgenoemde subonderdeel succes heeft. De tarieven en andere voorwaarden worden niet eenzijdig door Buma/Stemra bepaald en daarover wordt onderhandeld met (beoogde) licentienemers.
onderdeel 5.3. Die bestreden overweging luidt (onderstreping toegevoegd):
Maar ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling ten aanzien van de (verschillen in) prijzen, dan miskent het verweer dat het door ABMD c.s. bedoelde nadeel niet alleen bestaat in ongelijkheid wat betreft vergoedingen maar juist in de combinatie daarvan met het (niet-)handhavingsbeleid van Buma/Stemra, waardoor de ABMD-leden niet in staat zijn aan afnemers duidelijk te maken dat tegenover een hogere prijs voor hun diensten mede het voordeel staat van het recht om de beschikbaar gestelde muziek bedrijfsmatig af te spelen.”
Subonderdeel 5.3.1klaagt dat het in rov. 2.2.11 gegeven oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het miskent dat het op de weg ligt van ABMD c.s., als de partij die Buma/Stemra verwijt dat deze in strijd met het mededingingsrecht handelt en als partij in wier domein zich de feitelijke gegevens bevinden over de prijzen van de ABMD-producten, om op dit punt de noodzakelijke gegevens te verstrekken. Het is dus aan ABMD c.s. om voldoende onderbouwd te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat het nadeel bij de mededinging als gevolg van het aan Buma/Stemra verweten gedrag zich voordoet.
subonderdeel 5.3.2betoogt Buma/Stemra dat het oordeel van het hof dat haar verweer neerkomt op “
een niet met cijfers onderbouwde speculatie” onbegrijpelijk is. In feitelijke instanties heeft Buma/Stemra aangevoerd (en heeft het hof vastgesteld):
klacht treft doel. Gelet op de hiervoor weergegeven in het tussenarrest vastgestelde feiten kon het hof in het eindarrest niet overwegen dat het in rov. 2.2.11 verwoorde verweer van Buma/Stemra in wezen neerkomt op een niet met cijfers onderbouwde speculatie. Zonder nadere toelichting is dat oordeel onbegrijpelijk.
Subonderdeel 5.3.3bevat vervolgens een klacht tegen het oordeel van het hof dat indien toch wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van Buma/Stemra, door Buma/Stemra wordt miskend dat het nadeel bij de mededinging niet alleen bestaat in ongelijkheid wat betreft vergoedingen, maar in de combinatie daarvan met het ‘(niet-)handhavingsbeleid’ van Buma/Stemra. Hierdoor zijn de ABMD-leden niet in staat aan afnemers duidelijk te maken dat tegenover een hogere prijs voor hun diensten mede het voordeel staat van het recht om de beschikbaar gestelde muziek bedrijfsmatig af te spelen. Dit is onbegrijpelijk, aldus Buma/Stemra, omdat als het nadeel bij de mededinging “
juist in de combinatie” van ongelijke vergoedingen en het (niet-)handhavingsbeleid van Buma/Stemra is gelegen, er dan geen sprake is van dit nadeel als het element ‘ongelijkheid wat betreft de vergoedingen’ zich niet voordoet, zoals het hof
for the sake of the argument(dus: hypothetisch) aanneemt.
klacht slaagt. Het nadeel bij de mededinging vloeit volgens het hof al voort uit de omstandigheid dat ABMD-leden wél een vergoeding moeten betalen aan Buma/Stemra voor de beschikbaarstelling van muziek voor het bedrijfsmatig afspelen daarvan, en de streamingdiensten niet (rov. 2.2.9). Buma/Stemra betoogt dat zelfs als ABMD-leden geen vergoeding zouden moeten betalen, er nog steeds geen concurrentie zou zijn tussen de ABMD-leden en de streamingdiensten. Met andere woorden, Buma/Stemra betwist dat überhaupt concurrentie bestaat tussen de ABMD-leden en de streamingdiensten. Als geen concurrentieverhouding bestaat, kan die ook niet worden aangetast. [95] Als het hof dan veronderstelt dat dit argument slaagt (zoals het doet in rov. 2.2.11, aan het slot), dan is onbegrijpelijk dat het ‘niet-handhavingsbeleid’ van Buma/Stemra alsnog tot een nadeel bij de mededinging kan leiden.
subonderdeel 5.3.4. Daar klaagt Buma/Stemra over de overweging van het hof dat ABMD-leden niet in staat zijn aan relaties duidelijk te maken dat tegenover een hogere prijs voor hun diensten mede het voordeel staat het recht om de beschikbaar gestelde muziek bedrijfsmatig af te spelen. Dat oordeel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof hiermee voorbijgaat aan de essentiële stelling van Buma/Stemra (en het onderwerp van incidentele grief I in appel) dat bedrijfsmatig muziek afspelende ondernemers die een openbaarmakingslicentie van Buma hebben, toestemming hebben die muziek in hun bedrijfsruimte ten gehore te brengen, ongeacht of zij de muziek betrekken van een streamingdienst.
klacht slaagt. Het afnemen van de dienst van de ABMD-leden door een ondernemer betekent nog niet dat deze daarmee het recht heeft verkregen om de muziek (die hem dan beschikbaar is gesteld om af te spelen) ook
magafspelen in zijn bedrijfsruimte. Voor deze openbaarmaking heeft de ondernemer immers een openbaarmakingslicentie van Buma nodig (markt I.C). Het is in zoverre onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat ABMD-leden zouden moeten kunnen uitleggen dat hun dienst de gebruiker in staat stelt de beschikbaar gestelde muziek bedrijfsmatig af te spelen.
voordeelwordt gezien, maar eerder als een
voorwaardeom met een ABMD-lid in zee te gaan. Muziek om af te spelen is immers wat zij nodig hebben.
onderdeel 5.4formuleert Buma/Stemra een klacht tegen rov. 2.2.12 van het eindarrest. Deze overweging zou rechtens onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn op de gronden van subonderdelen 4.2.1 t/m 4.2.6. Dit voortbouwende karakter van deze klacht brengt met zich dat deze het lot deelt van de falende klachten in genoemde subonderdelen.
Onderdeel 5.5bevat klachten tegen rov. 2.2.13 van het eindarrest. Deze overweging luidt (onderstreping toegevoegd):
British Airways/Commissie), Het hof is van oordeel dat Buma/Stemra, bij het (blijven) hanteren van een systeem van licentiëring en handhaving zoals hiervoor bedoeld onder 2.2.7,
in de gegeven omstandigheden de reële kans voor lief heeft genomen dat haar opstelling voor de ABMD-leden tot nadeel bij de mededinging zou strekken, hetgeen volstaat. Voorzienbaar moet immers zijn geweest dat, toen de streamingdiensten niet bleken op te treden tegen zakelijk gebruik van hun producten, daarmee een alternatieve route werd geopend die vanuit concurrentie-oogpunt nadelig was voor de ABMD-leden als Buma/Stemra daartegen niet zelf optrad. Buma/Stemra was de enige die kon optreden. Dat zij dat niet heeft gedaan, om haar moverende redenen, moet worden opgevat als een bewuste benadeling van de concurrentiepositie van de ABMD-leden. Ook de maatregelen waarover Buma/Stemra en ABMD eerder hebben overlegd, een voorlichtingscampagne, heeft Buma/Stemra immers niet genomen. Dit is met name aannemelijk
omdat het hier niet gaat om een geval waarin voor verschillende afnemers verschillende prijzen gelden – waarvan een nadelig concurrentie-effect bij afnemers voor een leverancier niet altijd duidelijk zal zijn – maar om een geval waarin door Buma/Stemra voor een bepaalde prestatie van één groep afnemers een vergoeding wordt bedongen maar van andere afnemers in het geheel niet, terwijl aan dat onderscheid op het niveau van de eindgebruikers-licenties geen gevolgen worden verbonden.”
subonderdeel 5.5.1, onder verwijzing naar het hiervoor meermaals aangehaalde
MEO-arrest, dat het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat het AGM-tarief een relatief klein percentage vormt van de totale kosten die de ABMD-leden dragen in het kader van het aanbieden van hun diensten. Indien het hof dit aspect wel in zijn afwegingen heeft betrokken, dan is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar is ingegaan op de stelling van Buma/Stemra dat in de prijs van de diensten van ABMD-leden het AGM-tarief maar een klein aandeel vormt.
Subonderdeel 5.5.2bevat een rechtsklacht, die inhoudt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het in zijn oordeel had moeten betrekken dat Buma/Stemra in beginsel geen enkel belang erbij heeft om de ABMD-leden te verdrijven uit de (stroomafwaartse) markt I.B. Dit geldt temeer nu volgens het hof de streamingdiensten geen enkele vergoeding betalen voor de beschikbaarstelling van muziek voor bedrijfsmatig afspelen, en de ABMD-leden wel. Dat brengt mee dat Buma/Stemra veeleer een belang heeft om de ABMD-leden te
behoudenop deze (stroomafwaartse) markt van beschikbaarstelling van muziek voor bedrijfsmatig afspelen. Een en ander bevestigt dat Buma/Stemra bij het haar verweten gedrag niet het doel heeft gehad om ABMD-leden in hun concurrentieverhouding met de streamingsdiensten te benadelen. Ter adstructie van haar klacht wijst Buma/Stemra verder nog op punt 35 van het MEO-arrest:
het doel heeftde concurrentieverhouding scheef te trekken. Die onjuiste opvatting is mogelijk terug te voeten op de minder gelukkige Nederlandse vertaling in de punten 26 en 27 van het
MEO-arrest dat een prijsdiscriminatie “
tot doel heeft” om de mededinging op de stroomafwaartse markt te vervalsen’ (zie 5.93 en 5.94).
onderdeel 5.6een klacht gericht tegen rov. 2.2.13 (slot). Het oordeel dat het hier niet zou gaan om een geval waarin voor verschillende afnemers verschillende prijzen gelden, maar om een geval waarin door Buma/Stemra voor "
een bepaalde prestatie" van één groep afnemers een vergoeding wordt bedongen maar van andere afnemers in het geheel niet, is rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk op de gronden vermeld in de subonderdelen 2.4.4, 3.1.1 en 3.1.2, en onderdeel 4.1.
Schadevergoeding
onderdeel 6.1dat het hof op iets heeft beslist dat ABMD c.s. niet hebben gevorderd of verzocht, en daarom art. 23 Rv Pro heeft geschonden. In de eerste plaats hebben ABMD c.s. geen schadevergoeding gevorderd, maar terugbetaling van onverschuldigd betaalde gelden. In de tweede plaats heeft het hof, ook als de vordering van ABMD c.s. zou moeten worden verstaan als vordering tot vergoeding van schade, meer toegewezen dan gevorderd was. Maar ook in dat geval hebben ABMD c.s. de vordering tot schadevergoeding beperkt tot (een deel van) hetgeen aan Buma/Stemra is betaald, en strekt die vordering zich niet uit tot ander nadeel.
onderdeel 6.2, hetgeen het hof in rov. 2.5.1 van het eindarrest heeft overwogen met betrekking tot de stellingen die ABMD c.s. over het 'teveel betaalde', omdat ABMD c.s. al sinds de conclusie van antwoord bekend waren met het verweer van Buma/Stemra dat de ABMD-leden (op PB Sound na) geen betalingen aan Buma/Stemra hebben verricht, en zij desondanks hun eis nadien niet zo hebben gewijzigd dat zij schadevergoeding vorderen (niet bij akte wijziging eis tevens akte overlegging producties in eerste aanleg, en evenmin in het hoger beroep).
a contrario [97] ) dat de rechter niet méér (
ultra petita) of anders (
extra petita) mag toewijzen dan gevorderd. [98] Art. 23 Rv Pro brengt mee dat – tenzij de wet anders bepaalt [99] – de rechter een beslissing niet ambtshalve mag geven, maar alleen wanneer een dergelijke beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt. [100] Om binnen de grenzen van art. 23 Rv Pro te blijven moet de rechter wel weten wat de vordering omvat. De uitleg van de vordering door het hof (als onderdeel van de gedingstukken) kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [101]
MEO-arrest [104] van het Hof van Justitie genoemde criteria niet (volledig) toegepast. Daarvoor was diepgaander onderzoek vereist, blijkend uit een kenbare motivering.
MEOlag er een besluit van de nationale mededingingsautoriteit, waardoor er naar het mij voorkomt een duidelijker feitelijke basis was dan hier vooralsnog het geval is. Zo heeft het hof bijvoorbeeld niet vastgesteld wat nu precies de auteursrechtinbreuk is, welk nadeel de ABMD-leden nu concreet lijden, en of dat nadeel nu inderdaad het aantoonbaar gevolg is van de – door Buma/Stemra in cassatie bestreden – aanname dat zij voor bedrijfsmatige afname geen vergoeding verlangt van de streamingdiensten. Bij deze stand van zaken leent deze zaak zich mijns inziens ook niet goed voor prejudiciële vragen op de voet van art. 267 VWEU Pro over de uitleg(ging) van art. 102 sub c VWEU Pro.