Deze zaak betreft een geschil over de begunstigingsregeling van een overlijdensrisicoverzekering die PWC na de overgang van onderneming van Booz & Company aanpaste. De zoon van appellante was werknemer bij Booz en later PWC en had een overlijdensrisicoverzekering waarbij de begunstigde oorspronkelijk de erfgenamen waren. Na de overgang wijzigde PWC de begunstigingsregeling eenzijdig ten gunste van de partner van de zoon, met wie hij samenwoonde, maar die niet geregistreerd partner was.
Appellante stelde dat het handboek van Booz, waarin de begunstigingsregeling was opgenomen, integraal onderdeel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst en dat PWC deze regeling ongewijzigd diende voort te zetten. Het hof oordeelde dat het handboek inderdaad deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst en dat PWC niet had aangetoond dat de wijziging rechtsgeldig was overeengekomen. De partner van de zoon kon niet gelijkgesteld worden aan een weduwe of geregistreerd partner.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vordering van appellante toe, waarbij PWC werd veroordeeld tot betaling van de verzekerde som aan de erfgenamen, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. De overige verweren van PWC faalden, onder meer omdat PWC geen expliciete instemming van de werknemer had verkregen voor de wijziging en de oude regeling ongewijzigd diende te blijven na de overgang van onderneming.