Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 24 mei 2022 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland inzake de oplegging van antidumpingrechten op zonnepanelen. De kern van het geschil betrof de vraag of de zonnepanelen van oorsprong uit China kwamen dan wel uit Taiwan of de VAE, en of de aanwezigheid van een ingebouwde sensor ([I]) de zonnepanelen tot een nieuwe productsoort maakte waarop het antidumpingrecht niet van toepassing zou zijn.
De feiten betreffen invoer van zonnepanelen via Taiwan, waarbij OLAF een onderzoek deed naar mogelijke doorvoer van Chinese zonnepanelen via Taiwan om antidumpingrechten te ontduiken. Het Hof nam de bevindingen van het OLAF-rapport als doorslaggevend en oordeelde dat de zonnepanelen geassembleerd waren in China en via Taiwan werden vervoerd, waarbij de oorsprong China bleef gelden. De door belanghebbende overgelegde documenten over zonnecellen van Taiwanese, VAE en Zuid-Koreaanse oorsprong boden onvoldoende bewijs voor een andere oorsprong.
Ten aanzien van de ingebouwde sensor oordeelde het Hof dat deze geen wezenlijke wijziging in technische kenmerken, gebruiksdoeleinden of prijs-kwaliteitverhouding van de zonnepanelen teweegbracht. De zonnepanelen met sensor zijn onderling verwisselbaar met gewone zonnepanelen en vallen derhalve onder dezelfde productsoort als bedoeld in het Steinel-arrest. De aanwezigheid van de sensor maakte de zonnepanelen niet vrijgesteld van antidumpingrechten.
Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij de antidumpingrechten van 53,4% op de zonnepanelen terecht zijn opgelegd. Er werden geen kosten aan het hoger beroep verbonden.