ECLI:NL:GHAMS:2022:1811

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
200.301.304/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag wegens ernstige bedreiging ontwikkeling minderjarige met medische zorgbehoefte

De minderjarige, geboren in 2019 met ernstige medische aandoeningen, is sinds januari 2020 onder toezicht gesteld en geplaatst in een medisch onderlegd gezinshuis. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar zijn niet in staat gebleken de noodzakelijke zorg en opvoeding te bieden vanwege persoonlijke problematiek en ontoereikende bereikbaarheid.

De rechtbank heeft het gezag van de ouders beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. De ouders zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, stellende dat zij betrokken willen blijven bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Het hof overweegt dat de medische kwetsbaarheid van de minderjarige een snelle en adequate besluitvorming vereist, die de ouders niet kunnen waarborgen. De omgangsregeling is nauwelijks gerealiseerd en het laatste contact verliep gespannen. Het belang van de minderjarige bij een stabiele en veilige opvoedsituatie weegt zwaarder dan de wens van de ouders tot betrokkenheid.

Daarom bekrachtigt het hof de beschikking tot beëindiging van het ouderlijk gezag en benoeming van de gecertificeerde instelling als voogd, met het oog op continuïteit en optimale zorg voor de minderjarige.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en benoeming van de gecertificeerde instelling als voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.301.304/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/693508 / FA RK 20-7862 en C/13/703332 / FA RK 21-3773
Beschikking van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 inzake
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder respectievelijk de vader en tezamen te noemen: de ouders,
advocaat: mr. R. Dijkstra te Utrecht,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] );
- de gecertificeerde instelling stichting William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI);
- het gezinshuis waar [minderjarige] verblijft.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), van 14 juli 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift van de ouders, ingekomen op 13 oktober 2021;
- een e-mail van de zijde van de GI van 21 januari 2022.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn;
- de advocaat van de ouders;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw A. Touber;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;
- de gezinshuisouder.
De ouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen.

3.De feiten

3.1
Tijdens de (inmiddels verbroken) relatie van de ouders is [minderjarige] geboren [in] 2019 te [plaats A] . [minderjarige] is door de vader erkend en de ouders hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag laten aantekenen in het gezagsregister op 8 maart 2021.
3.2
[minderjarige] is op 24 januari 2020 onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Regio [plaats A] en krachtens een machtiging uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Deze ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd. In september 2020 is [minderjarige] in een medisch onderlegd gezinshuis geplaatst, waar zij kan blijven wonen.
3.3
[minderjarige] is geboren met een lichamelijke afwijking (gastroschisis) en een atresie in de darmen. [minderjarige] is hier twee keer aan geopereerd en heeft drie keer een terugval gehad. [minderjarige] heeft vanaf haar geboorte tot eind mei 2020 in het ziekenhuis verbleven. Zij heeft een groei- en ontwikkelingsachterstand opgelopen. [minderjarige] krijgt dagelijks medicatie toegediend (wegens stollingsproblemen en verzwakte nieren). Daarnaast krijgt zij fysiotherapie en moeten dagelijks oefeningen met haar gedaan worden. [minderjarige] heeft 24 uur per dag zorg nodig.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is op de daartoe strekkende verzoeken van de raad, het gezag van de ouders beëindigd en is de GI tot voogdes over [minderjarige] benoemd.
4.2
De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en de raad niet-ontvankelijk te verklaren in de inleidend verzoeken, althans deze af te wijzen, kosten rechtens.
4.3
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader
5.1
In artikel 1:266, eerste lid, onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechtbank het gezag van een ouder over een minderjarige kan beëindigen. Dat kan als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
Standpunten
5.2
De ouders zijn van mening dat de rechtbank hun gezag over [minderjarige] ten onrechte heeft beëindigd. Een gezagsbeëindiging is namelijk niet noodzakelijk en de ouders willen een rol houden in het leven van [minderjarige] . De ouders staan achter de plaatsing in het gezinshuis en zijn het ermee eens dat [minderjarige] daar zal opgroeien. Er is goed contact met de gezinsmanager. De ouders willen dat zij, ook als zij niet meer het gezag over [minderjarige] hebben, wel betrokken blijven bij de besluitvorming over [minderjarige] en haar verzorging en opvoeding.
5.3
De raad vindt dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de ouders wordt beëindigd. De medische situatie van [minderjarige] vergt dat beslissingen zo snel mogelijk genomen kunnen worden. Ook bij beëindiging van het gezag blijven de ouders een rol spelen in het leven van [minderjarige] , maar wel op afstand. De GI zal moeten onderzoeken wat de mogelijkheden hiertoe zijn binnen de capaciteiten van [minderjarige] .
5.4
De GI en de gezinshuisouder hebben aangegeven dat het op dit moment goed gaat met [minderjarige] en dat zij zich goed ontwikkelt. Sinds de omgangsregeling in oktober 2021 is gestart hebben de ouders een enkele keer omgang gehad met [minderjarige] . De omgangsregeling is op advies van de reclassering van de vader, tijdelijk stopgezet in verband met de veiligheid van alle betrokkenen. De moeder is in maart 2022 naar Servië vertrokken om rust te vinden en de vader is op dit moment gedetineerd. De GI is van plan de omgangsregeling weer te starten, maar het verblijf van de moeder in het buitenland en de detentie van de vader maken dit lastig. Het is belangrijk dat er een goede samenwerking is met de ouders zodat zij betrokken kunnen blijven bij [minderjarige] .
De gezinshuisouder heeft aangegeven dat de medische situatie van [minderjarige] ervoor zorgt dat daar elke dag aandacht aan geschonken moet worden. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het gezin en is een vrolijk en levenslustig meisje. [minderjarige] kan in het gezinshuis blijven wonen zolang dat nodig is. De ouders hebben tot nu toe slechts een paar keer omgang gehad met [minderjarige] . Het laatste omgangsmoment is spanningsvol verlopen, aldus de gezinshuisouder.
Beoordeling
5.5
Het hof overweegt dat de ouders vanaf de geboorte niet in staat zijn gebleken de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Dit heeft te maken met hun persoonlijke problematiek. Gelet op de (medische) kwetsbaarheid van [minderjarige] levert dit een ernstige ontwikkelingsbedreiging op. Door haar medische aandoeningen is [minderjarige] een kwetsbaar kind dat veel zorg nodig had en nog heeft. De ouders erkennen dit ook. De kwetsbaarheid van [minderjarige] blijkt ook recent nog uit het feit dat [minderjarige] kort voor de zitting in hoger beroep is behandeld in het ziekenhuis, omdat zij was besmet met het RS-virus. Het is voor [minderjarige] nodig snel beslissingen te kunnen nemen over bijvoorbeeld medische behandelingen. Nu en in het verleden zijn de ouders regelmatig niet bereikbaar en beschikbaar geweest, waardoor noodzakelijke beslissingen niet dadelijk konden worden genomen en soms langer op zich hebben laten wachten.
5.6
Daarnaast hebben de ouders, door hun gebrekkige bereikbaarheid en beschikbaarheid, onvoldoende zicht op wat [minderjarige] nodig heeft. De omgangsregeling is nauwelijks van de grond gekomen en de ouders hebben [minderjarige] daardoor sinds haar plaatsing in het gezinshuis weinig gezien. Daarbij is het laatste omgangsmoment spanningsvol verlopen. [minderjarige] verblijft sinds september 2020 in het gezinshuis waar zij kan opgroeien. Zij ontwikkelt zich goed en krijgt in het gezinshuis de begeleiding en zorg die zij nodig heeft. De onzekerheid over de plek waar [minderjarige] mag wonen (de aanvaardbare termijn) kan niet langer duren, omdat zij als jong kind zich moet kunnen hechten aan de gezinshuisouders. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn te dragen. Aan de wettelijke gronden voor de beëindiging van het gezag is voldaan.
5.7
Het hof begrijpt de wens van de ouders om betrokken te blijven in het leven van [minderjarige] , maar dit is onvoldoende om het gezag van de ouders over [minderjarige] in stand te laten. De gezagsbeëindiging van de ouders betekent niet dat zij geen rol kunnen spelen in het leven van [minderjarige] . De gezinsmanager heeft ter zitting in hoger beroep gezegd dat zij de samenwerking met de ouders opnieuw zal zoeken en dat het de bedoeling is de omgangsregeling te hervatten. Het hof gaat ervan uit dat de GI opnieuw gaat samenwerken met de ouders en dat zij zal onderzoeken op welke wijze de omgangsregeling kan worden hervat.
5.8
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 21 juni 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.