De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die de omgangsregeling met zijn minderjarige kind had beperkt. De vader woont niet samen met het kind, dat bij de moeder verblijft. De omgang werd beperkt omdat de vader niet aan veiligheidsafspraken voldeed, met name het niet tijdig overleggen van negatieve drugs- en alcoholtesten.
De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming stelden dat de beperking noodzakelijk is in het belang van het kind, vanwege zorgen over het middelengebruik van de vader en de emotionele veiligheid van het kind. De vader betwistte deze zorgen en wilde de omgang uitbreiden, maar kon niet overtuigend aantonen dat hij aan de voorwaarden voldeed.
Het hof oordeelt dat de GI terecht de omgangsregeling heeft beperkt en dat de veiligheid en het welzijn van het kind voorop staan. De omgang kan pas worden uitgebreid als de vader vier achtereenvolgende maandagen negatieve testresultaten overlegt en opvoedondersteuning is opgestart. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vader af.