Deze zaak betreft een geschil binnen een familiebedrijf dat kermisattracties exploiteert, waarbij de verhoudingen tussen vader [I] en zijn zoons [A] en [B] ernstig zijn verstoord geraakt. De Zoons verzochten de Ondernemingskamer een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder het schorsen van [I] als bestuurder en het benoemen van een onafhankelijke bestuurder met beslissende stem.
De Ondernemingskamer constateerde dat het overleg tussen de bestuurders volledig was vastgelopen, er wantrouwen heerste en contante inkomsten niet werden afgestort, wat de continuïteit van de onderneming bedreigde. Ondanks mediation en een accountantsonderzoek bleef het vertrouwen ontbreken. De Zoons stelden onder meer dat financiële cijfers waren gemanipuleerd en dat [I] vermogensbestanddelen onttrok, terwijl [I] en de andere partijen dit ontkenden.
De Ondernemingskamer oordeelde dat er gegronde redenen zijn om aan het beleid en de gang van zaken te twijfelen en dat een onderzoek gerechtvaardigd is. Ter bescherming van de vennootschap werd een onafhankelijke bestuurder benoemd met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid. De kosten van het onderzoek en de bestuurder komen voor rekening van de vennootschap, terwijl iedere partij haar eigen proceskosten draagt.