ECLI:NL:GHAMS:2022:1850
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing uitvoerbaarheid kinderalimentatiebeschikking
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2020 op nihil stelde. Tevens verzocht hij incidenteel om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van deze beschikking totdat het hoger beroep is beslist.
De vrouw verzet zich tegen dit schorsingsverzoek. Het hof overweegt dat een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard in principe direct ten uitvoer kan worden gelegd, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. In dit geval is het verzoek van de man tot schorsing tegenstrijdig met zijn hoofdeis, waarin hij een eerdere ingangsdatum voor de nihilstelling van de alimentatie vraagt.
Het schorsingsverzoek zou ertoe leiden dat de alimentatie vanaf 1 januari 2020 weer verschuldigd wordt, hetgeen in strijd is met het verzoek in de hoofdzaak. Het hof concludeert dat de man geen belang heeft bij het schorsingsverzoek en dat hij andere juridische middelen moet aanwenden om executiemaatregelen tegen te gaan.
Daarom wijst het hof het verzoek tot schorsing af en bevestigt het de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad af wegens gebrek aan belang en tegenstrijdigheid met het hoofdeis.