Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van de procedure bij de kantonrechter
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
De rechthebbende, geboren in 1931, kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die haar goederen onder bewind stelde wegens haar lichamelijke en geestelijke toestand. De kantonrechter had [X] B.V. benoemd tot bewindvoerder. De rechthebbende betwistte het bewind en stelde dat zij altijd zelf haar financiën goed had beheerd.
Het hof overwoog dat op basis van medische verklaringen, waaronder een huisartsbrief en een WLZ-indicatie, vaststaat dat de rechthebbende lijdt aan dementie en niet in staat is haar financiële belangen behoorlijk waar te nemen. De bewindvoerder gaf aan dat de rechthebbende verward is en geen overzicht heeft over haar financiën, wat werd bevestigd door het gedrag rondom het leefgeld en de pinpas.
Verder achtte het hof het netwerk van de rechthebbende onvoldoende betrouwbaar en solide, waarbij vermoedens bestonden van misbruik van de pinpas in het verleden. Ondanks dat de rechthebbende een spaarsaldo van ruim €14.000 had, veranderde dit oordeel niet. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en het bewind blijft van kracht.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bewindstelling over de goederen van de rechthebbende wegens haar geestelijke toestand.