ECLI:NL:GHAMS:2022:1935
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing baby voor kortere duur dan rechtbank
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van een baby voor de duur van een jaar heeft verleend. De moeder betwistte de noodzaak en duur van de uithuisplaatsing en stelde dat het recht op family life werd geschonden.
Het hof overwoog dat de moeder een licht verstandelijke beperking heeft en er ernstige zorgen zijn over haar vermogen om de basale zorg en veiligheid te bieden, mede gezien de voorgeschiedenis met haar drie andere kinderen die uit huis zijn geplaatst. Het regionaal expertiseteam concludeerde dat plaatsing in een moeder-kindhuis onvoldoende perspectief bood.
De raad handhaafde het verzoek tot uithuisplaatsing en baseerde zich op multidisciplinaire rapporten en hulpverleningsgeschiedenis. Het hof vond de gronden voor uithuisplaatsing aanwezig, maar achtte een duur van een jaar te lang. Nieuwe informatie over de biologische vader, die geen rol meer speelt, en de inzet van de moeder gaven aanleiding tot verkorting van de machtiging tot negen maanden.
Het hof bekrachtigde de beschikking voor die kortere duur en wees het overige verzoek van de moeder af. De maatregel werd als noodzakelijk en evenredig beoordeeld, zonder ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de baby wordt bekrachtigd voor negen maanden, korter dan de rechtbank had bepaald.