ECLI:NL:GHAMS:2022:1973
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling legitimaire massa en giften in nalatenschap na overlijden erflater
In deze civiele procedure staat de omvang van de legitimaire massa van de nalatenschap van de in 2015 overleden erflater centraal. De appellant, enig erfgenaam en executeur-testamentair, betwistte de door de rechtbank vastgestelde legitimaire massa en stelde dat ontvangen bedragen bedoeld waren als vergoeding voor intensieve mantelzorg.
Het hof oordeelt dat appellant niet ontvankelijk is in hoger beroep tegen drie medegedaagden, omdat hoger beroep slechts tegen wederpartijen kan worden ingesteld. De stellingen van appellant over mantelzorgvergoeding zijn onvoldoende onderbouwd, mede omdat de kosten konden worden voldaan uit een Wajong-uitkering van de betrokkene.
De rechtbank had de legitimaire massa vastgesteld op €57.915,42, maar het hof verhoogt dit bedrag met €3.000,- voor een gouden ketting en belastingteruggaven, waardoor de legitimaire massa €60.915,42 bedraagt. De vorderingen van de legitimarissen worden dienovereenkomstig vastgesteld. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof stelt de legitimaire massa vast op €60.915,42 en verklaart appellant niet ontvankelijk in hoger beroep tegen enkele medegedaagden.