Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake aanranding op 3 juni 2018 in een café te Schagen. De verdachte werd ervan beschuldigd de benadeelde vrouw onder haar rok te hebben betast. De aangeefster en een getuige herkenden de verdachte als dader, waarbij de getuige stellig was in haar verklaring.
Tijdens het onderzoek bleek dat er geen andere getuigen waren die de verdachte als dader aanwezen. De camerabeelden waren van matige kwaliteit en boden geen sluitend bewijs. Vrienden van de verdachte verklaarden dat hij niet op de beelden stond. De aangeefster had pas na de naam van de verdachte van de getuige gehoord en hem daarna herkend via een website.
Het hof oordeelde dat ondanks de stelligheid van de getuige, het bewijs onvoldoende overtuigend was om de schuld van de verdachte vast te stellen. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastelegging. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd verklaard. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.