Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Doel van het onderzoek is vast te stellen of en zo ja, aan welke strafbare feiten de medewerkster zich schuldig heeft gemaakt. Tevens is doel van het onderzoek om deze feiten te laten ophouden.’
de beeldanalyse kon op 23 september 2020 worden afgerond en beschikbaar worden gesteld aan de opdrachtgever. De beeldanalyse heeft dermate veel tijd in beslag genomen omdat het beelden van de hele dag betreft. De opsporing van de betrokkene hierin heeft veel tijd gekost.’ De rapporteur heeft ten slotte als volgt geconcludeerd:
Uit de in dit onderzoek vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van goederen uit het filiaal van haar werkgever Vomar te [plaats] . Vanuit de beeldanalyse is vast komen te staan dat zij dit herhaaldelijk en met een grote frequentie heeft gedaan. Hierbij heeft zij allerlei verschillende handelingen verricht om de artikelen op de winkelvloer al aan het zicht te onttrekken. Hieruit blijkt duidelijk de intentie van [appellante] om de artikelen niet af te willen rekenen.’
3.Beoordeling
grief 1in principaal appel komt [appellante] allereerst op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het stelselmatig meenemen van boodschappen zonder te betalen een dringende reden oplevert en dat Vomar [appellante] in lijn met haar beleid en ondanks de persoonlijke omstandigheden van [appellante] terecht op staande voet heeft ontslagen. [appellante] heeft daartoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat er in haar geval geen sprake is van een subjectief dringende reden, gezien haar persoonlijke omstandigheden. Van 12 tot en met 15 september 2020 is [appellante] opgenomen geweest op de PAAZ-afdeling van het [gasthuis] in verband met een zelfmoordpoging op 12 september 2020. Bij brief van 7 oktober 2020 heeft de psychiater van het [gasthuis] onder andere geschreven:
grief 1in principaal appel aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Vomar heeft [appellante] op 8 september 2020 geconfronteerd met haar ontdekking op 5 september 2020 dat [appellante] boodschappen niet afrekende. [appellante] heeft die dag bevestigd dat zij meerdere malen boodschappen had meegenomen zonder deze af te rekenen. Op 8 september 2020 stond voor Vomar de reden voor het ontslag op staande voet vast en desondanks heeft Vomar [appellante] nogmaals willen horen op 14 september 2020. Dit gesprek is door de zelfmoordpoging van [appellante] niet doorgegaan, maar [appellante] is niet reeds op of omstreeks 8 september 2020 ontslagen. Het argument van Vomar dat zij uit zorgvuldigheid nader onderzoek wilde doen gaat volgens [appellante] niet op omdat de opdracht voor dit onderzoek op 9 september 2020 is gegeven en daarbij slechts de camerabeelden van 19 augustus tot en met 4 september 2020 aan de rapporteur zijn gestuurd voor nader onderzoek, maar niet de beelden van 5 september 2020. Het onderzoek stond dus los van wat er reeds door Vomar op 5 september 2020 was geconstateerd en door [appellante] op 8 september 2020 was bevestigd. De analyse van de beelden, die op 23 september 2020 is binnengekomen, heeft niets nieuws uitgewezen en is niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd, aldus [appellante] .
grief 2in principaal appel komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen van [appellante] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt, hetgeen betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is, alsmede het oordeel dat, gelet op de ernst van de gedraging, geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven en redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellante] heeft daartoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de maatstaf is dat haar een ernstig verwijt te maken moet zijn. Hiervan is geen sprake omdat haar mentale gesteldheid en financiële zorgen ertoe hebben geleid dat [appellante] ongeoorloofd gedrag heeft vertoond. Het feit dat [appellante] thans onder het sociaal minimum leeft, maakt de afwijzing van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar, aldus [appellante] .
grief 4in principaal appel komt [appellante] op tegen haar veroordeling tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding omdat zij een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft veroorzaakt en die dringende reden naar het oordeel van de kantonrechter door opzet althans schuld van de zijde van [appellante] is veroorzaakt. [appellante] heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van een dringende reden en/of een onverwijld gegeven ontslag op staande voet, zodat het verzoek van Vomar tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding moet worden afgewezen.
grief 5in principaal appel komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] tot een bedrag van € 1.250,00 in de onderzoekskosten moet bijdragen. [appellante] heeft daartoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat het onderzoek alleen zag op camerabeelden van 19 augustus 2020 tot en met 4 september 2020, zodat van een onderzoek naar wat er is gebeurd op 5 september 2020 geen sprake is geweest. Dat onderzoek was reeds eerder gedaan, op grond waarvan [appellante] op 8 september 2020 is aangesproken. [appellante] had reeds bekend dat de gedragingen zich vaker hadden voorgedaan, zodat er geen rechtvaardiging voor het onderzoek bestond. Bovendien blijkt uit de beelden van het onderzoek niet objectief dat [appellante] boodschappen niet heeft afgerekend, dat is de interpretatie van Vomar. Vomar had met een blik op de beelden zelf kunnen constateren dat een onderzoek naar de beelden geen duidelijkheid zou kunnen geven over de omvang van de door haar geclaimde schade van € 6.240,00, los van het feit dat er geen beeldmateriaal over anderhalf jaar voorhanden was. Het onderzoek is niet in gang gezet om de vermeende schade te onderzoeken (of de redenen voor het ontslag op staande voet te onderbouwen), maar om strafbare feiten op te sporen en die voor de toekomst te voorkomen. Het onderzoek was nodeloos, aldus [appellante] .
grief 1in incidenteel appel komt Vomar op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de omvang van de schade zelfs voor een schatting te ongewis is, reden waarom het verzoek van Vomar is afgewezen. Vomar heeft daartoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat zij schade heeft geleden doordat [appellante] boodschappen heeft meegenomen zonder deze te betalen. Welke boodschappen dat precies waren heeft Vomar door het onderzoek door [bedrijf] niet kunnen vaststellen. Aan de hand van de verklaring van [appellante] tijdens het gesprek op 8 september 2020 dat zij gedurende anderhalf jaar voor € 80,00 per week boodschappen heeft meegenomen heeft Vomar haar schade becijferd op (78 weken x € 80,00 =) € 6.240,00. Vomar heeft verzocht [appellante] tot betaling van dit bedrag te veroordelen, dan wel de schade te schatten.
grief 3in principaal appel komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de proceskosten in het verzoek voor haar rekening komen omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellante] . Volgens [appellante] is de toets voor de proceskostenveroordeling niet ernstig verwijtbaar handelen van een van de partijen, maar welke partij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld en dat is volgens haar Vomar. Het hof oordeelt dat – gelet op het voorgaande – [appellante] in eerste aanleg in het verzoek terecht in het ongelijk is gesteld, reden waarom zij ook terecht in de proceskosten in het verzoek is veroordeeld. Grief 3 in principaal appel faalt.
grief 6in principaal appel komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter om, gelet op de uitkomst van de zaak, de proceskosten in het tegenverzoek te compenseren. [appellante] stelt dat Vomar in die proceskosten had moeten worden veroordeeld omdat zij in het ongelijk had moeten worden gesteld. Gelet op het voorgaande zijn de proceskosten in het tegenverzoek terecht gecompenseerd, reden waarom grief 6 in principaal appel faalt.
grief 5in principaal appel komt [appellante] ook op tegen het oordeel van de kantonrechter om haar te veroordelen tot betaling van € 1.250,00 aan buitengerechtelijke kosten. Volgens [appellante] geldt voor de veroordeling in de buitengerechtelijke kosten de Wet Incasso Kosten, waarbij de hoogte afhankelijk is gesteld van de hoogte van de vordering, waarmee door de kantonrechter ten onrechte geen rekening is gehouden. Het hof gaat ervan uit dat de kantonrechter het bedrag van € 1.250,00 ten onrechte heeft bestempeld als buitengerechtelijke kosten, want het bedrag ziet op de onderzoekskosten tot betaling waarvan [appellante] is veroordeeld. Het hof zal het dictum vernietigen en [appellante] veroordelen tot betaling van € 1.250,00 aan onderzoekskosten. Grief 5 in principaal appel slaagt in zoverre.