Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
.
Gerechtshof Amsterdam
De vader en moeder zijn in 2014 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding in 2020 oefenden zij gezamenlijk gezag uit. De moeder verzocht om beëindiging van het gezamenlijk gezag en toekenning van het eenhoofdig gezag aan haar, wat door de rechtbank werd toegewezen. De vader kwam hiertegen in hoger beroep.
De vader betoogde dat hij betrokken wil blijven bij de kinderen en dat de communicatie met de moeder niet verstoord is. Hij wees op zijn psychische problematiek, maar stelde dat hij de belangen van de kinderen goed kan inschatten. De moeder stelde dat de vader door zijn schizofrenie en frequente, niet-gecommuniceerde verblijven in Irak niet in staat is om beslissingen te nemen en dat hij vaak niet reageert op verzoeken om toestemming, wat heeft geleid tot meerdere juridische procedures.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de beschikking te bekrachtigen, benadrukkend dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is vanwege de noodzaak van beslissingen over specialistische hulpverlening. Het hof oordeelde dat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen, mede door de psychische problematiek van de vader en zijn onbereikbaarheid. Het hof zag geen noodzaak voor nader onderzoek en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die het gezamenlijk gezag beëindigt en het eenhoofdig gezag aan de moeder toekent.