De betrokkene werd onherroepelijk veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennepplanten. De politierechter legde een ontnemingsverplichting van €49.651,56 op. In hoger beroep stelde het hof vast dat de betrokkene minimaal vier oogsten heeft gerealiseerd, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend op €25.597,44.
Het hof corrigeerde de schatting van de politierechter en hield rekening met standaardnormen voor opbrengst en kosten, waarbij het aantal hennepplanten en oogsten werd vastgesteld aan de hand van aangetroffen kweekruimtes en verklaringen. De redelijke termijn voor de procedure was met tien maanden overschreden, wat resulteerde in een compensatie van €1.500,-.
De betalingsverplichting werd daarom vastgesteld op €24.097,-. De betrokkene voerde aan niet over draagkracht te beschikken, maar het hof oordeelde dat dit in beginsel in de executiefase aan de orde is, tenzij duidelijk is dat geen draagkracht bestaat. Het hof legde de ontnemingsverplichting op en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 481 dagen.