Op 14 november 2019 vond een woninginbraak plaats in Amsterdam waarbij diverse goederen, waaronder laptops, een fotocamera, sieraden en contant geld, werden ontvreemd. De verdachte werd op camerabeelden herkend en samen met anderen betrapt op het plegen van de inbraak. De verdediging voerde aan dat de persoon op de beelden niet de verdachte was en dat de gestolen goederen niet bij hem waren aangetroffen, wat het hof verwierp.
Het hof oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte samen met anderen de woning heeft betreden door middel van braak en goederen heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De eerdere vrijspraak van de politierechter werd vernietigd. Gelet op de ernst van het feit, de emotionele impact op de benadeelde en het recidivekarakter van de verdachte, legde het hof een gevangenisstraf van vijf maanden op.
Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen. Het hof mat de vergoeding tot 50% van de nieuwwaarde van de gestolen goederen, rekening houdend met afschrijving en verzekeringsuitkeringen, en bepaalde de totale toe te wijzen schadevergoeding op €4.214,57, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 november 2019.