ECLI:NL:HR:2024:1152

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
22/01374
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in medeplegen diefstal

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal door braak. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof oordeelde anders. In cassatie werd aangevoerd dat het hof een mededeling van een verbalisant over zijn herkenning van de verdachte had gedenatureerd, wat volgens de verdediging tot een onjuiste bewijswaardering leidde.

De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de mededeling niet wezenlijk anders had geïnterpreteerd dan bedoeld en dat het hof ook zonder die mededeling tot het oordeel kon komen dat de verdachte 'NN4' betrof. Daarmee werd het cassatiemiddel verworpen. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf met vijf maanden werd verminderd.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en bepaalde dat de straf vier maanden en drie weken bedraagt. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte bewijswaardering en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01374
Datum10 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2022, nummer 23-000585-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat (de in de bewijsvoering genoemde) “NN4” de verdachte is. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de in bewijsmiddel 6 weergegeven mededeling van een verbalisant over zijn herkenning van de verdachte heeft gedenatureerd.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 13.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 september 2024.