ECLI:NL:GHAMS:2022:2270
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens buitenproportioneel politiegeweld bij aanhouding verdachte inbraak
Op 6 april 2019 werd verdachte aangehouden op verdenking van inbraak in een kelderbox te Rotterdam. De politie kwam ter plaatse na een melding en trof verdachte achter een gesloten deur aan. Bij de aanhouding ontstond een gevecht waarbij verdachte zich zou hebben verzet. De politie zette een hond in, waarbij verdachte meerdere verwondingen opliep.
De rechtbank veroordeelde verdachte voor wederspannigheid, maar het hof vernietigde dit vonnis. Het hof oordeelde dat de politie, inclusief de hondengeleider, buitenproportioneel geweld gebruikte zonder dat de noodzaak daarvan was aangetoond. Dit maakte dat de politie niet handelde in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
De verdachte werd daarom vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.
Het hof baseerde zijn oordeel op getuigenverklaringen, het proces-verbaal, en de vastgestelde feiten, waarbij het disproportionele karakter van het politieoptreden centraal stond. De inzet van de politiehond zonder waarschuwing en zonder duidelijke noodzaak was doorslaggevend voor het oordeel.
De zaak benadrukt het belang van proportionaliteit en rechtmatigheid bij politieoptreden en bevestigt dat buitenproportioneel geweld kan leiden tot vrijspraak ondanks een vermoeden van schuld.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens buitenproportioneel politiegeweld waardoor rechtmatige uitoefening van bediening ontbrak.