ECLI:NL:GHAMS:2022:2469
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ontruiming sociale huurwoning wegens hoofdverblijfkwestie
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een verstekvonnis tot ontruiming van een sociale huurwoning. De huurder, die sinds 1997 de woning huurt, was tijdelijk afwezig vanwege een verblijf in Ghana, maar heeft volgens het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft opgegeven.
De verhuurder stelde dat de huurder de woning aan derden zou hebben verhuurd en niet meer zelf zou bewonen, wat volgens de huurovereenkomst niet is toegestaan. Diverse huisbezoeken en correspondentie werden gevoerd, waarbij de huurder en zijn partner stelden dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren en de huurder slechts tijdelijk afwezig was vanwege ziekte.
Het hof oordeelde dat de afwezigheid van de huurder onvoldoende was om te concluderen dat hij zijn hoofdverblijf had opgegeven, mede gelet op de inschrijving in de Basisregistratie Personen en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een daadwerkelijke verhuizing. Ook werd geoordeeld dat de partner geen derde was in de zin van de huurovereenkomst, maar deel uitmaakt van het huishouden. Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, verklaarde het verzet gegrond en wees de ontruimingsvordering af.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzet gegrond en wijst de ontruimingsvordering af.