ECLI:NL:GHAMS:2022:2526
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbendheid vader bij machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn twee minderjarige kinderen. De moeder oefende tot de beschikking het gezag uit, maar dit is beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) is benoemd tot voogd. De vader betoogt dat hij als niet-gezagsdrager toch belanghebbende is vanwege zijn affectieve band met de kinderen en zijn rol in hun leven.
Het hof onderzoekt of de vader als belanghebbende kan worden aangemerkt op grond van artikel 798 lid 1 Rv Pro in verbinding met artikel 8 EVRM Pro. Het hof stelt vast dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk betrokken was bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De GI en de raad voor de kinderbescherming bevestigen dat de vader sinds 2015 niet betrokken was bij de hulpverlening en geen contact met hen heeft gehad.
Gelet op deze feiten concludeert het hof dat de vader niet rechtstreeks wordt geraakt in zijn rechten of verplichtingen door de uithuisplaatsing en daarom niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Hierdoor is hij niet ontvankelijk in het hoger beroep en komt het hof niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de machtiging tot uithuisplaatsing.
Uitkomst: De vader wordt niet als belanghebbende aangemerkt en is niet ontvankelijk in het hoger beroep.