ECLI:NL:GHAMS:2022:2527
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewindvoering wegens onvoldoende zelfredzaamheid van rechthebbende
De rechthebbende, geboren in 1991, is sinds 31 maart 2017 onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Na een eerdere bewindvoerder is in november 2021 een nieuwe bewindvoerder benoemd. De kantonrechter wees het verzoek tot opheffing van het bewind af, waarna de rechthebbende in hoger beroep ging.
De rechthebbende voert aan dat zijn situatie inmiddels stabiel is, hij over voldoende vaardigheden beschikt om zijn financiën zelf te beheren, en dat hij ondersteuning krijgt van zijn ouders en advocaat. Hij ontvangt een Wajonguitkering, volgt een re-integratietraject en verwacht een kind. Desondanks ervaart hij het bewind als belastend.
Het hof oordeelt dat de rechthebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd over zijn geestelijke toestand ten tijde van de onderbewindstelling en momenteel. De blokkering van zijn bankrekening wegens oplichting en eerdere incidenten wijzen op onvoldoende financieel beheer. De geboden ondersteuning wordt als vrijblijvend gezien en onvoldoende om herhaling te voorkomen. Ook is de rechthebbende niet gemotiveerd voor een proefperiode om zijn zelfstandigheid aan te tonen.
Daarom voldoet de situatie niet aan de criteria voor opheffing van het bewind op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af wegens onvoldoende aannemelijkheid dat de noodzaak is komen te vervallen.