ECLI:NL:GHAMS:2022:2596
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoekers niet-ontvankelijk in hoger beroep bij vaststelling ouderschap overleden persoon
De moeder heeft bij de rechtbank het ouderschap van de overleden persoon [X] ten aanzien van zijn zoon [minderjarige] laten vaststellen op grond van artikel 1:207 lid 1 BW Pro. Verzoekers, broer en vader van de overledene, kwamen in hoger beroep tegen deze beschikking en stelden dat zij als belanghebbenden ontvankelijk moesten worden verklaard. Zij vreesden dat hun door artikel 8 EVRM Pro beschermde family life met de zoon van de overledene zou worden aangetast als bleek dat [X] niet de vader was.
Het hof oordeelde dat verzoekers niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt omdat zij niet tot de beperkte kring van personen behoorden die volgens artikel 1:207 BW Pro het verzoek tot vaststelling van het ouderschap kunnen doen. Ook faalde hun beroep op artikel 8 EVRM Pro omdat zij onvoldoende hadden onderbouwd dat zij een nauwe persoonlijke betrekking met de zoon hadden. Hun erfgenamenstatus was slechts een afgeleid belang en raakt hun rechten of verplichtingen niet rechtstreeks.
Het hof verklaarde verzoekers daarom niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en veroordeelde hen ambtshalve in de proceskosten van de procedure aan de zijde van de moeder. De beschikking van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd zonder inhoudelijke beoordeling van het verzoek van verzoekers.
Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.