Werknemer trad in 1998 aan als assistent bedrijfsleider (ABL) en werd na overname in 2005 door Hoogvliet in die functie voortgezet. Vanaf 2009 verrichtte hij echter werkzaamheden als verkoopmedewerker zuivel en diepvries, maar bleef het ABL-salaris ontvangen zonder dat werkgever duidelijk maakte dat dit tijdelijk was.
Het hof oordeelt dat deze situatie een arbeidsvoorwaarde is geworden, omdat deze ruim vier jaar heeft geduurd en werkgever geen concrete wijziging van omstandigheden heeft gesteld die een salarisaanpassing rechtvaardigen. Diverse functioneringsgesprekken en communicatie bevestigen dat werknemer met behoud van ABL-salaris deze lagere functie vervulde.
Hoogvliet wilde het salaris vanaf 2019 afbouwen via een afbouwregeling, maar werknemer weigerde dit. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat werknemer recht heeft op het hogere salaris zolang hij deze werkzaamheden verricht en wijst de grieven van Hoogvliet af.