ECLI:NL:GHAMS:2022:2632

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
8 september 2022
Zaaknummer
23-002067-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 36e SrArt. 69 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering wegens overlijden verdachte

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag waarin de betrokkene was veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod uit artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet en tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel was veroordeeld.

De betrokkene was overleden op 3 februari 2022, zoals blijkt uit een akte van overlijden opgemaakt door de gemeente Den Haag. Volgens artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht vervalt met het overlijden van de verdachte het recht tot strafvervolging en het voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof verklaarde daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering en vernietigde het vonnis waarvan beroep. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 14 april 2022.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het overlijden van de verdachte.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002067-21
datum uitspraak: 14 april 2022
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2019 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 09-842299-16 tegen de betrokkene
[verdachte01],
[geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1967.

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 18.162,35.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2019 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van en voor zover relevant opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 12 april 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.529,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het Openbaar Ministerie is bij arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, van 14 april 2022 in de strafzaak niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Blijkens een op 25 februari 2022 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag opgemaakte akte van overlijden, nr. [nummer01] , is de verdachte op 3 februari 2022 overleden.
Ingevolge artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht vervalt met het overlijden van de verdachte naast het recht van een strafvervolging tevens het recht tot het voortzetten van een procedure tegen hem tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Openbaar Ministerie dient aldus – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J. Piena en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2022.