Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak gaat het om de vraag of appellant na het overlijden van zijn moeder de huurovereenkomst van haar woning kan voortzetten op grond van het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De moeder huurde de woning sinds 2000 en overleed in december 2019. Appellant woonde sinds 2013 bij haar en stelde dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden.
De kantonrechter wees de vordering van appellant af en veroordeelde hem tot ontruiming. Het hof bevestigt dit oordeel na beoordeling van de feiten en bewijsstukken. Hoewel appellant aannemelijk maakte dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had, was het samenwonen vooral eenzijdig gericht op zorg voor zijn moeder. Er was geen sprake van financiële verwevenheid of wederkerigheid die kenmerkend is voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Appellant leverde onvoldoende concrete feiten en financiële bewijsstukken om zijn stelling te onderbouwen. Het hof oordeelt dat het samenwonen een zorgkarakter had en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding vormde. De grieven van appellant falen, het vonnis wordt bekrachtigd en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de voortzetting van de huurovereenkomst af, met veroordeling tot ontruiming en kosten.