Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2022:2841

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
5 oktober 2022
Zaaknummer
23-003767-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte mishandeling wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 4 oktober 2022 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 30 september 2019. De verdachte werd beschuldigd van het mishandelen van de benadeelde door het slaan met een plastic glas of een hard voorwerp op of omstreeks 24 maart 2017 te Amsterdam.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken. De advocaat-generaal had een veroordeling gevorderd, maar de raadsvrouw verdedigde de stelling dat er onvoldoende bewijs was. Het hof oordeelde dat het dossier niet de vereiste mate van zekerheid bood dat de verdachte het ten laste gelegde feit had gepleegd.

Een belangrijke overweging was dat de aangever en een getuige niet van meet af aan volledige openheid van zaken hadden gegeven over de rol van de getuige in het conflict met de verdachte. Hierdoor kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de mishandeling had begaan.

De benadeelde partij had een schadevergoeding van €500,- gevorderd, waarvan in eerste aanleg €300,- was toegewezen. Nu de verdachte werd vrijgesproken, kon de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003767-19
datum uitspraak: 4 oktober 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-201286-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 24 maart 2017 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een plastic longdrinkglas en/of plastic bierglas, althans een (hard) voorwerp, te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het hem ten laste gelegde.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte degene is geweest die de aangever heeft mishandeld.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet met een voor bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Daarbij speelt een rol dat uit het nadere verhoor van de aangever bij de raadsheer-commissaris blijkt dat de aangever en zijn vriend, de getuige [getuige], niet van het begin af aan volledige openheid van zaken hebben gegeven over de rol van [getuige] in een conflict met de verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. R. Kuiper en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2022.