ECLI:NL:GHAMS:2022:2933
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verzoek tot beëindiging gezag moeder over kind niet-ontvankelijk
In deze zaak stond het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming centraal om het gezag van de moeder over haar kind te beëindigen. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een eerdere beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin het gezag van de moeder over het kind was beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd was benoemd.
Het hof heeft vastgesteld dat het kind inmiddels drie maanden volledig bij de moeder woont en dat er geen aanwijzingen zijn dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. De raad en de gecertificeerde instelling voerden aan dat de moeder niet adequaat gezagsbeslissingen zou nemen, maar het hof oordeelde dat deze voorbeelden onvoldoende zijn om te voldoen aan de wettelijke criteria voor gezagsbeëindiging.
Het hof benadrukte dat gezagsbeëindiging een ingrijpende maatregel is die alleen als ultimum remedium kan worden toegepast. Gezien de feiten en omstandigheden is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:266 BW Pro. Daarom vernietigt het hof de eerdere beschikking voor zover het gezag van de moeder over het kind betreft en wijst het het verzoek van de raad af. De overige grieven van de moeder behoeven geen bespreking meer.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over het kind af.