Het geschil betreft het gezamenlijk gezag en de zorgregeling voor een minderjarige geboren in 2015 uit een verbroken relatie. De moeder was aanvankelijk alleen belast met het gezag, de vader erkende het kind in 2017. De rechtbank had het gezamenlijk gezag vastgesteld en een zorgregeling waarbij het kind tien dagen per vier weken bij de vader verblijft.
De moeder verzocht het gezamenlijk gezag af te wijzen en een aangepaste zorgregeling vast te stellen, terwijl de vader de beschikking wilde bekrachtigen en incidenteel een uitbreiding van de zorgdagen wilde. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde bekrachtiging van het gezamenlijk gezag en handhaving van de zorgregeling, met aanbeveling tot een communicatieverbeterend traject.
Het hof oordeelde dat de verstandhouding tussen de ouders niet optimaal is, maar voldoende voor gezamenlijke gezagsuitoefening zonder onaanvaardbaar risico voor het kind. De zorgregeling biedt structuur en is in het belang van het kind. De door de moeder en vader voorgestelde wijzigingen in de zorgregeling werden afgewezen vanwege het belang van voorspelbaarheid en rust voor het kind.
De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd voor het gezag en grotendeels voor de zorgregeling, met vernietiging van het onderdeel over zwemles op zaterdag, omdat deze niet meer plaatsvindt. De zorgregeling blijft tien dagen per vier weken bij de vader, zonder zwemles op zaterdag.