ECLI:NL:GHAMS:2022:3044

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
27 oktober 2022
Zaaknummer
200.309.634/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 lid 19 Wet op het notarisambtArt. 107 lid 1 Wet op het notarisambt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet tegen klacht notaris

Klager heeft een klacht ingediend tegen een notaris bij de kamer voor het notariaat, welke klacht door de voorzitter van de kamer als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar dit verzet werd ongegrond verklaard door de kamer. Klager ging vervolgens in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof moest beoordelen of het hoger beroep ontvankelijk was, aangezien artikel 99 lid 19 Wet Pro op het notarisambt (Wna) bepaalt dat tegen een beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is, geen hoger beroep openstaat. Alleen indien een fundamenteel rechtsbeginsel was geschonden, kon het appelverbod worden doorbroken.

Klager voerde aan dat de voorzitter van de kamer de repliek had geweigerd en klager niet had gehoord, waardoor geen eerlijke procedure had plaatsgevonden. Het hof oordeelde echter dat deze bezwaren niet tot doorbreking van het appelverbod leidden, omdat de kamer in de verzetprocedure de procedurele tekortkomingen had hersteld en klager aldaar wel was gehoord.

Het hof vond geen aanwijzingen dat een fundamenteel rechtsbeginsel was geschonden en verklaarde het hoger beroep van klager daarom niet-ontvankelijk. De zaak werd zonder mondelinge behandeling afgedaan.

Uitkomst: Hof verklaart klager niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet tegen klacht notaris.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.309.634/01 NOT
nummer eerste aanleg : 709196/NT 21-56
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 25 oktober 2022
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
tegen
mr. [geïntimeerde] ,
notaris te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1.De zaak in het kort

Klager komt in hoger beroep van een beslissing van de kamer waarbij het door klager ingediende verzet ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 99 lid 19 Wet Pro op het notarisambt staat hiertegen geen hoger beroep open. De vraag die het hof als eerste moet beantwoorden is of klager toch ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 31 maart 2022 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam (hierna: de kamer) van 7 maart 2022 (ECLI:NL:TNORAMS:2022:16). Op 1 juli 2022 heeft klager aanvullende gronden, die betrekking hebben op zijn ontvankelijkheid in het hoger beroep, ingediend.
2.2.
De notaris heeft op 20 juli 2022 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
Klager heeft op 6 augustus 2022 nadere stukken aan het hof gestuurd.
2.5.
Het hof heeft partijen vooraf laten weten eerst alleen de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep te zullen behandelen. De notaris heeft het hof laten weten niet ter zitting (over de ontvankelijkheid) te kunnen verschijnen. Vervolgens heeft klager het hof laten weten dat hij waarschijnlijk niet in staat zal zijn ter zitting te verschijnen. Klager heeft ermee ingestemd dat het hof de zaak zonder mondelinge behandeling zal afdoen. Het hof heeft de notaris en klager bericht dat het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid een beslissing zal nemen op de stukken. De op 15 september 2022 geplande mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden.

3.Ontvankelijkheid

3.1.
Klager heeft op 30 juni 2021 bij de kamer een klacht ingediend tegen de notaris. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 19 oktober 2021 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. De kamer heeft bij de in 2.1 genoemde beslissing het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
In het algemeen staat – op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wet Pro op het notarisambt (hierna: Wna) – tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 Wna Pro bepaalt echter in lid 19 dat tegen de beslissing van de kamer dat het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is, geen rechtsmiddel openstaat. Uit genoemde bepalingen van de Wna volgt derhalve dat er geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, tegen de bestreden beslissing openstaat. Dit is onder meer anders indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Volgens klager is hiervan sprake, zodat het appelverbod dient te worden doorbroken. Klager stelt dat geen sprake is geweest van een eerlijke procedure omdat de voorzitter van de kamer in het kader van de voorzittersbeslissing de repliek van klager heeft geweigerd en klager niet heeft gehoord. Deze bezwaren van klager leveren geen doorbrekingsgrond op, omdat de door klager gestelde tekortkomingen – zo daar al sprake van is – in de verzetprocedure tegen de voorzittersbeslissing door de kamer zijn hersteld. Klager heeft bij de kamer al zijn bezwaren naar voren kunnen brengen en klager is daarover ter zitting gehoord. Het hof zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.
3.4.
Gelet op het appelverbod kan klager niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 7 maart 2022.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, C.H.M. van Altena en S.V. Viveen en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2022 door de rolraadsheer.