ECLI:NL:GHAMS:2022:3148

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 november 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
200.306.369/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 806 lid 1 RvArt. 358 lid 2 RvArt. 1:322 lid 1 BWArt. 1:377a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moeder niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen voogdijoverdracht aan pleegouders

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking waarbij de voogdij over haar minderjarige kind werd overgedragen van de gecertificeerde instelling (GI) aan de pleegouders. De moeder betoogde dat zij ontvankelijk moest worden verklaard omdat zij als biologische moeder recht heeft op bescherming van haar familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro.

Het hof heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van de moeder beoordeeld aan de hand van artikel 798 lid 1 Rv Pro en de criteria uit jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het hof oordeelde dat de overdracht van de voogdij aan de pleegouders de rechten en verplichtingen van de moeder niet rechtstreeks raakt, omdat zij sinds 2019 geen gezag meer heeft over het kind.

Daarnaast is gebleken dat de moeder en het kind al jaren geen contact hebben en dat de pleegouders het contact met de moeder zoveel mogelijk hebben gefaciliteerd en dit ook zullen blijven doen. Ook is er geen aanwijzing dat de voogdijoverdracht het contact zal belemmeren. De moeder heeft bovendien recht op omgang met het kind op grond van artikel 1:377a BW, wat door de voogdijoverdracht niet wordt gewijzigd.

Het hof concludeert dat de moeder geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro en verklaart haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De beschikking van de rechtbank Amsterdam wordt daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de voogdijoverdracht aan de pleegouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.306.369/01
zaaknummer rechtbank: C/13/701857 / FA RK 21/3072
beschikking van de meervoudige kamer van 8 november 2022 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J. Breeveld te Haarlem,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- de minderjarige [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] ), geboren [in]
2012 te [plaats A] ;
- [de pleegmoeder ] en [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, gezamenlijk de pleegouders).
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: [plaats A] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 3 november 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 3 februari 2022 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
3 november 2021.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegouders;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
Verzoekster is de moeder van [kind 1] . De vader van [kind 1] is buiten beeld. [kind 1] verblijft sinds 19 december 2014 bij de pleegouders.
3.2
De moeder heeft nog een meerderjarige dochter ( [kind 2] ) en twee minderjarige dochters: [kind 3] van 13 jaar en [kind 4] van 7 jaar.
3.3
Het gezag van de moeder over [kind 1] , [kind 3] en [kind 4] is bij beschikking van de rechtbank van 6 november 2019 beëindigd, met benoeming van de GI tot voogd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is de GI ontslagen van de voogdij over [kind 1] en zijn de pleegouders benoemd tot voogd over [kind 1] .
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, - zo begrijpt het hof het verzoek- het inleidende verzoek van de GI om op grond van artikel 1:322 lid 1 aanhef Pro en onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden ontslagen van de voogdij ten gunste van de pleegouders, af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt om afwijzing van het verzoek van de moeder en bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof dient eerst (ambtshalve) de ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep beoordelen, nu de vraag is of de moeder in deze procedure als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden aangemerkt.
De standpunten ten aanzien van de ontvankelijkheid
5.2
De moeder meent dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. Zij is de biologische moeder van [kind 1] en heeft in het kader van artikel 8 van Pro het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) recht op bescherming van haar familie- en gezinsleven met [kind 1] . Zij heeft daarnaast geen andere rechtsingang om omgang met [kind 1] te bewerkstelligen.
5.3
De GI refereert zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van de moeder aan het oordeel van het hof.
De beoordeling door het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid
5.4
In zaken betreffende het personen- en familierecht kan, in afwijking van artikel 358 lid 2 Rv Pro, op grond van artikel 806 lid 1 Rv Pro van een beschikking hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker, door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden en door andere belanghebbenden.
Op grond van het bepaalde in artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. In zijn uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) heeft de Hoge Raad overwogen dat de door art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv.
In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet worden afgeleid dat een persoon, die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM Pro, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven (zie EHRM 6 oktober 2015, nr. 58455/13 (N.P./Moldavië)). Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf ook moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM Pro. De door artikel 8 EVRM Pro vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.
5.5
Op grond van de hierboven geformuleerde criteria dient het hof in de onderhavige zaak te beoordelen of de omstandigheden van dit geval meebrengen dat het onderwerp van de zaak, te weten de overdracht van de voogdij over [kind 1] van de GI naar de pleegouders (op grond van artikel 1:322 lid 1 aanhef Pro en onder c BW) ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de moeder zich beroept rechtstreeks worden geraakt, waarbij tevens in aanmerking dient te worden genomen of de beslissing in de onderhavige zaak kan leiden tot een inmenging in het gezinsleven van de moeder als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM Pro, met als gevolg dat de moeder kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met artikel 8 lid 1 EVRM Pro. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.
Het hof overweegt daartoe als volgt. De moeder heeft sinds 2019 geen gezag meer over [kind 1] , zodat een overgang van de voogdij van de GI naar de pleegouders haar niet rechtstreeks raakt in de bij het gezag behorende rechten en verplichtingen en in die zin geen beperking oplevert voor de effectuering van haar recht op gezinsleven met [kind 1] . Van concrete feiten of
omstandigheden die tot een andere oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken.
Er zijn evenmin aanwijzingen dat de wijziging van de voogdij zal leiden tot verandering in het contact van de moeder met [kind 1] ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de voogdijoverdracht. De moeder en [kind 1] hebben al drie jaar geen contact meer. Vanuit de hulpverlening rondom [kind 1] wordt geadviseerd om het contact pas te herstellen wanneer daarvoor voldoende ruimte is bij [kind 1] en volgens de hulpverlening is daarvan op dit moment nog geen sprake. De pleegouders volgen het advies van de hulpverlening hierin. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de GI in haar (voormalige) hoedanigheid als voogd dit advies van de hulpverlening ook zou volgen.
De overdracht van de voogdij naar de pleegouders zal dan ook niet leiden tot belemmering of vertraging van een eventueel contactherstel en daarmee tot beperking van de (mogelijkheid tot) omgang tussen de moeder en [kind 1] . Daarbij komt dat is gebleken dat de pleegouders het contact tussen [kind 1] - die al sinds eind 2014 bij hen verblijft - en de moeder altijd zoveel als mogelijk was hebben ondersteund en gefaciliteerd, daartoe nog steeds bereid zijn en dit in hun nieuwe rol als voogd ook zullen blijven doen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de pleegouders tot de meerderjarigheid van [kind 1] ook begeleiding vanuit pleegzorg zullen blijven ontvangen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrees van de moeder dat contactherstel tussen haar en [kind 1] na de overdracht van de voogdij belemmerd zal worden of niet zal kunnen plaatsvinden, niet gerechtvaardigd lijkt te zijn.
Daar komt bij dat de moeder op grond van artikel 1:377a eerste lid BW recht heeft op omgang met [kind 1] en dat de voogdijoverdracht daarin geen wijziging brengt. De stelling van de moeder dat zij geen andere rechtsingang heeft om haar recht op gezinsleven met [kind 1] te
effectueren, is dan ook niet juist.
Voor het overige heeft de moeder geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat de voogdijoverdracht een – voor de toets van artikel 798 lid 1 Rv Pro relevante – inmenging vormt in haar gezinsleven met [kind 1] of dat deze kan leiden tot een rechterlijke beslissing, die het recht op gezinsleven van de moeder rechtstreeks raakt, terwijl van dergelijke omstandigheden het hof ook overigens niet is gebleken.
5.6
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de kwestie van de voogdijoverdracht, nu door deze overdracht haar rechten en verplichtingen niet rechtstreeks worden geraakt.
Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.
5.7
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, J.F. Miedema en P.A.M. Jongens-Lokin, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 8 november 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.