ECLI:NL:GHAMS:2022:3148
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Moeder niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen voogdijoverdracht aan pleegouders
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking waarbij de voogdij over haar minderjarige kind werd overgedragen van de gecertificeerde instelling (GI) aan de pleegouders. De moeder betoogde dat zij ontvankelijk moest worden verklaard omdat zij als biologische moeder recht heeft op bescherming van haar familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Het hof heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van de moeder beoordeeld aan de hand van artikel 798 lid 1 Rv Pro en de criteria uit jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het hof oordeelde dat de overdracht van de voogdij aan de pleegouders de rechten en verplichtingen van de moeder niet rechtstreeks raakt, omdat zij sinds 2019 geen gezag meer heeft over het kind.
Daarnaast is gebleken dat de moeder en het kind al jaren geen contact hebben en dat de pleegouders het contact met de moeder zoveel mogelijk hebben gefaciliteerd en dit ook zullen blijven doen. Ook is er geen aanwijzing dat de voogdijoverdracht het contact zal belemmeren. De moeder heeft bovendien recht op omgang met het kind op grond van artikel 1:377a BW, wat door de voogdijoverdracht niet wordt gewijzigd.
Het hof concludeert dat de moeder geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro en verklaart haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De beschikking van de rechtbank Amsterdam wordt daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de voogdijoverdracht aan de pleegouders.