ECLI:NL:GHAMS:2022:3191
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen inzake vergoeding voor inhouding rijbewijs door CBR
De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek tot vergoeding van schade en kosten als gevolg van de inhouding van zijn rijbewijs op strafrechtelijke en bestuursrechtelijke gronden.
De rechtbank had vastgesteld dat de schade over de periode van 3 maart 2021 tot 9 juni 2021 het gevolg was van strafrechtelijke invordering en daarvoor een forfaitaire vergoeding toegekend. Vanaf 9 juni 2021 was het rijbewijs geschorst door het CBR, waardoor de appellant niet mocht rijden; voor deze periode werd geen vergoeding toegekend wegens gebrek aan gronden van billijkheid.
De advocaat-generaal en het hof onderschrijven deze beoordeling en wijzen het verzoek tot een hogere vergoeding af. Het hof bevestigt de toekenning van een vergoeding van € 980,- voor de strafrechtelijke periode en vergoedt daarnaast de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg (€ 680,-) en in hoger beroep (€ 340,-).
Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank bevestigd. De appellant ontvangt een vergoeding van € 340,- uit de rijkskas voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank bevestigd met een vergoeding van € 340,- voor rechtsbijstand in hoger beroep.