Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Ik deel toe:
aan mijn voornoemde echtgenote[hof: [gedaagde ] ]
alle door mij na te laten zaken,
een bedrag
BESCHRIJVING
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van [eiser] tegen [gedaagde], voormalig executeur-testamentair, over vermeend opzettelijk verzwijgen van vermogensbestanddelen uit de nalatenschap van de overleden echtgenoot. [Eiser] vordert betaling van een bedrag van €13.250,- wegens verbeuring van het aandeel van [gedaagde] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro, alsmede afgifte van diverse stukken en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter wees deze vorderingen af omdat niet was gesteld of gebleken dat [gedaagde] wist dat de verzwegen goederen tot de nalatenschap behoorden, terwijl aan het bewijs van opzet hoge eisen worden gesteld. Het hof bevestigt dat stelplicht en bewijslast bij de eiser liggen en dat de aangevoerde feiten onvoldoende zijn om opzet aan te tonen. Het hof laat de toepasselijkheid van artikel 3:194 lid 2 BW Pro op deze ouderlijke boedelverdeling in het midden.
Ook de vordering tot afgifte van stukken faalt omdat het belang daarvoor ontbreekt nu de notaris als opvolgend executeur is benoemd. De vordering tot vergoeding van incassokosten wordt eveneens afgewezen. Het hof compenseert de proceskosten door iedere partij haar eigen kosten te laten dragen en bekrachtigt het bestreden vonnis.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van eiser af.