ECLI:NL:GHAMS:2022:3299
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst woonruimte na overlijden moeder bij duurzame gemeenschappelijke huishouding
In deze zaak gaat het om de voortzetting van een huurovereenkomst van een woning die oorspronkelijk door de ouders van de dochter werd gehuurd. Na het overlijden van de moeder verzocht de verhuurder de dochter de woning te verlaten, maar de dochter stelde dat zij de huurovereenkomst mocht voortzetten omdat zij met haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had.
De kantonrechter stelde vast dat de woning geen dienstwoning meer was en dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen moeder en dochter. De verhuurder betwistte dit en stelde dat de dochter slechts mantelzorg verleende en dat de woning weer als dienstwoning in gebruik moest worden genomen.
Het hof oordeelde dat de woning inderdaad geen dienstwoning meer is en dat de dochter voldoende bewijs had geleverd van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder. De verhuurder kon niet aantonen dat het belang bij hernieuwd gebruik als dienstwoning zwaarder woog dan het woonbelang van de dochter. De grieven van de verhuurder werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de dochter de huurovereenkomst mag voortzetten vanwege de duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder.