Het gerechtshof Amsterdam heeft op 15 november 2022 in hoger beroep uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder door de rechtbank Noord-Holland was veroordeeld voor diefstal met een valse sleutel, gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen.
De rechtbank had de ontnemingsvordering deels toegewezen en betrokkene verplicht tot betaling van €242.510,67 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof vernietigde dit vonnis en stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €242.310,67, waarbij het enkele correcties toepaste op de door de opsporingsambtenaar opgestelde ontnemingsrapportage.
Het hof nam de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over, met uitzondering van een iets lager bedrag aan overboekingen van een derde rekening en het niet meenemen van contante stortingen wegens onvoldoende bewijs van misdadige herkomst. De verdediging had aangevoerd dat betrokkene werkzaamheden had verricht voor de betrokkenen, maar kon dit niet onderbouwen met boekhouding of facturen.
Daarom legde het hof betrokkene de verplichting op tot betaling van €242.310,67 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één rechter niet medeondertekende.