ECLI:NL:GHAMS:2022:3548
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs weigering tonen identiteitsbewijs op eerste vordering
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 19 december 2017 te Amsterdam niet op de eerste vordering een identiteitsbewijs ter inzage heeft aangeboden, in strijd met de Wet op de identificatieplicht en het Wetboek van Strafvordering.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd omdat het oorspronkelijke vonnis slechts een aantekening betrof en niet tot een inhoudelijke bewezenverklaring leidde. De advocaat-generaal vorderde een schuldverklaring zonder strafoplegging, terwijl de raadsman vrijspraak bepleitte vanwege onvoldoende concreet bewijs.
Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk heeft geweigerd zijn identiteitsbewijs te tonen. Het proces-verbaal vermeldde slechts dat de verdachte werd gevorderd het identiteitsbewijs te tonen, dit niet kon of wilde overhandigen, maar dat zijn identiteit wel was vastgesteld via zijn paspoort.
Gelet op deze feiten en de betoog van de raadsman was de feitelijke gang van zaken onvoldoende concreet beschreven om tot een bewezenverklaring te komen. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij weigerde een identiteitsbewijs te tonen op eerste vordering.