ECLI:NL:GHAMS:2022:3548

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
14 december 2022
Zaaknummer
23-000494-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 395a SvWet op de identificatieplichtWetboek van StrafvorderingWetboek van Strafrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs weigering tonen identiteitsbewijs op eerste vordering

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 19 december 2017 te Amsterdam niet op de eerste vordering een identiteitsbewijs ter inzage heeft aangeboden, in strijd met de Wet op de identificatieplicht en het Wetboek van Strafvordering.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd omdat het oorspronkelijke vonnis slechts een aantekening betrof en niet tot een inhoudelijke bewezenverklaring leidde. De advocaat-generaal vorderde een schuldverklaring zonder strafoplegging, terwijl de raadsman vrijspraak bepleitte vanwege onvoldoende concreet bewijs.

Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk heeft geweigerd zijn identiteitsbewijs te tonen. Het proces-verbaal vermeldde slechts dat de verdachte werd gevorderd het identiteitsbewijs te tonen, dit niet kon of wilde overhandigen, maar dat zijn identiteit wel was vastgesteld via zijn paspoort.

Gelet op deze feiten en de betoog van de raadsman was de feitelijke gang van zaken onvoldoende concreet beschreven om tot een bewezenverklaring te komen. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij weigerde een identiteitsbewijs te tonen op eerste vordering.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000494-20
datum uitspraak: 13 december 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-008269-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Ter Apel, te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
29 november 2022.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 19 december 2017, te Amsterdam, niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht en/of het Wetboek van Strafvordering en/of het Wetboek van Strafrecht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Vrijspraak

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken, nu niet blijkt op welke wijze de verdachte heeft geweigerd om op eerste vordering zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Dit terwijl zijn identiteit blijkens het proces-verbaal is vastgesteld aan de hand van zijn paspoort.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. In het proces-verbaal staat enkel dat – naar aanleiding van een verdenking van doelloos ophouden – de verdachte is gevorderd een geldig identiteitsbewijs te overhandigen, dat verdachte dit niet kon of wilde overhandigen en dat na onderzoek de identiteit van de verdachte is vastgesteld aan de hand van zijn paspoort. De feitelijke gang van zaken is, mede gelet op hetgeen door de raadsman hieromtrent naar voren is gebracht, onvoldoende concreet beschreven om tot een bewezenverklaring te komen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.L.M. van der Voet en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van
mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
13 december 2022.