AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen veroordeling wegens doelloos ophouden in portiek te Amsterdam
De verdachte werd beschuldigd van het zonder redelijk doel ophouden in een portiek aan het Max Euweplein te Amsterdam op 12 februari 2019, in strijd met artikel 2.18 van de oude Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam (APV). De verdachte, dakloos en levend op straat, stelde dat het verbod in strijd was met het legaliteitsbeginsel en artikel 8 EVRMPro, en dat vrijspraak op zijn plaats was.
Het hof oordeelde dat het verbod duidelijk en specifiek genoeg is geformuleerd en niet in strijd is met het bepaaldheidsgebod. De beperking van de bewegingsvrijheid is gering en noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde en het onbelemmerd gebruik van publieke ruimten. De bijzondere situatie van de verdachte als dakloze verandert hier niets aan.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte zich zonder redelijk doel in de portiek ophield en daarmee de overtreding beging. Desondanks werd geen straf opgelegd vanwege de geringe ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en het feit dat hij in meerdere strafzaken werd veroordeeld tot langere gevangenisstraffen. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd, zonder verdere gevolgen.
Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en het hof sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd, maar zonder oplegging van straf of maatregel.
Uitkomst: Het hof verklaart bewezen dat de verdachte zich zonder redelijk doel in een portiek ophield, maar legt geen straf op vanwege geringe ernst en persoonlijke omstandigheden.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000483-20
datum uitspraak: 13 december 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-090765-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Ter Apel te Ter Apel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
29 november 2022.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 februari 2019 te Amsterdam zonder redelijk doel zich in een portiek of poort heeft opgehouden of op of tegen een raamkozijn en/of een drempel van een gebouw heeft gezeten en/of gelegen, immers heeft hij op/aan het Max Euweplein tegen een pilaar van de onderdoorgang gezeten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verdachte niet anders kan dan zich ophouden op straat, omdat hij dakloos is en op straat leeft en de invulling van zijn leven geheel plaatsvindt in de openbare ruimte. Om die reden kan, aldus de raadsman, niet bewezen worden dat de verdachte zich zonder redelijk doel heeft opgehouden in de directe omgeving van een gebouw. De raadsman heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat artikel 2.18 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (hierna: APV(oud)) in strijd is met het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel en met het bepaalde in artikel 8 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verbodsbepaling werkt willekeur in de hand en is onvoldoende ‘ foreseeable’en ‘ accessible’om als wet te kunnen gelden.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring en heeft daartoe aangevoerd dat vrijheden niet ongelimiteerd zijn en dat deze omwille van de bescherming van de openbare orde beperkt kunnen worden, hetgeen in artikel 2.18 APV (oud) is gebeurd. Van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel of met artikel 8 EVRMPro is geen sprake.
Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen en overweegt daartoe als volgt.
Art. 2.18 APV (oud) is opgenomen in het hoofdstuk “Orde en veiligheid”, onder het kopje “Hinderlijk gedrag” in paragraaf 3. Deze bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde feit als volgt:
1. Het is anderen dan de bewoners of gebruikers van een gebouw of vaartuig verboden: a. zonder redelijk doel tegen een deur, raam of vensterbank te leunen of zich anderszins hinderlijk op te houden in de onmiddellijke omgeving van dat gebouw of vaartuig; b. zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke wijze zich op te houden in de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van dat gebouw.
2. Het is verboden zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke wijze zich op te houden in of bij een portiek, een portaal, een telefooncel, een parkeergarage of een soortgelijke, voor publiek toegankelijke ruimte dan wel deze ruimte te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij is bestemd.
Blijkens de toelichting op artikel 2.18 van de APV (oud) kan het verbod van dit artikel ingezet worden “tegen degenen die zich zonder redelijk doel of anderszins hinderlijk ophouden bij of in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van gebouwen en andere voor publiek toegankelijke voorzieningen, zoals haltehuisjes, portieken en parkeergarages”. Het verbod is volgens de toelichting op zijn plaats, omdat het doelloos rondhangen van personen of groepen in voor publiek bestemde ruimten dikwijls sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid oproept, waardoor een normaal gebruik van deze ruimten wordt belemmerd. Anders dan door de raadsman betoogd maakt de in de verbodsbepaling geformuleerde norm voldoende duidelijk welke gedragingen zijn verboden en strafbaar gesteld. De norm is immers in zoverre geconcretiseerd dat deze ziet op specifiek omschreven gedrag (leunen, zich ophouden) op bepaalde in het artikel onder lid 1 en 2 aangeduide plaatsen (een deur, raam, vensterbank of in de onmiddellijke ingang van een gebouw, dan wel in of bij een portiek, portaal, telefooncel, parkeergarage of een soortgelijke voor publiek toegankelijke ruimte). De bepaling is derhalve niet in strijd met het bepaaldheidsgebod. Het verbod stelt de verdachte voldoende in staat om zijn gedrag daarop af te stemmen en zich vrijelijk in de publieke ruimte te begeven. Het feit dat de verdachte dakloos is en op straat leeft maakt dit niet anders.
De verbodsbepaling is evenmin in strijd met het EVRM. Weliswaar beperkt het verbod de bewegingsvrijheid om zich te begeven in de publieke ruimte, maar het betreft een geringe beperking die noodzakelijk is te achten ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van het onbelemmerd normaal gebruik van de publieke ruimte door anderen. Daarnaast is het verbod voldoende ‘foreseeable’ en ‘accessible’. Ook is niet gebleken van handelen in strijd met het verbod van willekeur. Dat aan opsporingsambtenaren enige vrijheid toekomt bij de (wijze van) handhaving indien zij constateren dat een verbod wordt overtreden, zodat onder omstandigheden met een waarschuwing zal worden volstaan, doet daaraan niet af.
Uit het proces-verbaal van 17 april 2019 blijkt dat de verdachte op 12 februari 2019 met zijn rug tegen een pilaar in de onderdoorgang – en aldus in een portiek – bij het Max Euweplein te Amsterdam zat. Hij had zijn persoonlijke spullen in zijn directe omgeving neergezet en was een joint aan het draaien. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich zonder redelijk doel in een portiek ophield.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij zich op 12 februari 2019 te Amsterdam zonder redelijk doel in een portiek heeft opgehouden immers heeft hij op het Max Euweplein tegen een pilaar van de onderdoorgang gezeten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van het bepaalde in artikel 2.18, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (oud)
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Ten aanzien van de straftoemeting
De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot één dag hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich zonder redelijk doel opgehouden in de onderdoorgang bij het Max Euweplein te Amsterdam. Door aldus te handelen, heeft de verdachte overlast veroorzaakt op het plein.
Gelet op de (relatief) geringe ernst van het feit en de persoon van verdachte zoals daarvan blijkt uit het rapport van de reclassering van 4 november 2022, acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat het vandaag tegen de verdachte in een zeer groot aantal strafzaken uitspraak doet, waarbij de verdachte in sommige zaken wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Het hof constateert dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting, maar verbindt daar verder geen gevolgen aan.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.L.M. van der Voet en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 december 2022.