ECLI:NL:GHAMS:2022:3621
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing gerechtsdeurwaarderskamer
Klaagster heeft bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke door de voorzitter van de kamer als kennelijk niet-ontvankelijk werd afgewezen. Klaagster stelde hiertegen verzet in, dat door de kamer ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft klaagster hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.
Het hof moest beoordelen of klaagster ontvankelijk was in haar hoger beroep, waarbij artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet een rechtsmiddelenverbod inhoudt tegen beslissingen op verzet. Dit verbod kan slechts worden doorbroken indien een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden, wat klaagster niet heeft gesteld of aannemelijk gemaakt.
Het hof constateerde dat klaagster haar bezwaren in eerste aanleg volledig heeft kunnen toelichten en ter zitting is gehoord. Er is geen sprake van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Daarom verklaart het hof klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van 27 december 2021 van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.
Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.