Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen hadden een langdurige relatie waaruit een minderjarige is geboren, met gezamenlijk gezag en een ouderschapsplan dat het hoofdverblijf bij de moeder bepaalde en een zorgregeling met verblijven bij beide ouders. De moeder wilde verhuizen naar een andere plaats buiten de afgesproken straal van tien kilometer, wat door de vader werd betwist en leidde tot een kort geding en diverse voorzieningen.
De moeder verhuisde desalniettemin naar de nieuwe woonplaats en vroeg vervangende toestemming voor verhuizing en wijziging van het hoofdverblijf. Het hof oordeelde dat de verhuizing de uitvoering van het ouderschapsplan en de zorgregeling bemoeilijkt, met name door langere reistijden en schoolwisselingen, en dat de noodzaak van de verhuizing onvoldoende was onderbouwd, vooral omdat de belangrijkste reden de woonplaats van de nieuwe partner was.
De rechtbank en het hof bevestigden dat het belang van het kind en de continuïteit van de zorgregeling zwaarder wegen dan het belang van de moeder bij verhuizing. Ook werd geoordeeld dat de kinderalimentatie op nihil gesteld kon worden, gelet op de gewijzigde zorgregeling en het doorbetalen van de helft van de kinderbijslag door de vader. Het verzoek tot inschrijving op een school in de nieuwe woonplaats werd afgewezen, en de inschrijving op de school in de woonplaats van de vader bevestigd.
De verzoeken van de moeder werden afgewezen, de bestreden beschikkingen bekrachtigd en partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in incidentele verzoeken. Het hof verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot verhuizing met het kind en wijziging hoofdverblijf is afgewezen en het hoofdverblijf blijft bij de vader.