ECLI:NL:GHAMS:2022:3888

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 januari 2022
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
23-000227-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder c OpiumwetArt. 36e Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak telen hennep

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen. De veroordeelde was in eerste aanleg veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en vrijgesproken van het telen van hennep in de periode van 1 januari 2019 tot en met 22 maart 2019.

De ontnemingsvordering was gebaseerd op een rapportage waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op € 47.497,30, berekend over de periode van 25 december 2018 tot 22 maart 2019. Het hof overwoog dat de veroordeelde expliciet en onherroepelijk was vrijgesproken van het telen, waardoor geen voordeel uit deze feiten kon worden aangenomen.

Daarnaast waren er onvoldoende aanwijzingen dat de veroordeelde in de week voorafgaand aan de tenlastegelegde periode voordeel had verkregen uit andere strafbare feiten. Daarom kon de ontnemingsvordering niet worden toegewezen. De verweren van de raadsman behoefden geen bespreking meer vanwege de afwijzing van de vordering.

Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht door de vordering tot ontneming af te wijzen.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen vanwege de vrijspraak van het telen van hennep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000227-20
datum uitspraak: 11 januari 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 januari 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
15-163249-19 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 47.497,30.
De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter van 27 januari 2020 veroordeeld ter zake van:
  • opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 1 januari 2019 tot en met 22 maart 2019;
  • diefstal met verbreking in de periode van 1 januari 2019 tot en met 22 maart 2019.
Voorts heeft de politierechter bij ontnemingsvonnis van 27 januari 2020 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 47.497,30 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 december 2021.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 41.372,30 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt als volgt.
In de hoofdzaak is de veroordeelde veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep (artikel 3 onder Pro c van de Opiumwet) en dus vrijgesproken van het – kort gezegd – aan hem tenlastegelegde opzettelijk telen van hennep in de periode van 1 januari 2019 tot en met 22 maart 2019.
In de ontnemingsrapportage van 20 juni 2019 van rapporteurs [naam 1] en [naam 2] is de berekening gebaseerd op (de verkoop van de opbrengst van) teelt gedurende de periode van
25 december 2018 tot 22 maart 2019. De veroordeelde is van het telen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 22 maart 2019 expliciet en onherroepelijk vrijgesproken. Uit het bewezenverklaarde ‘aanwezig hebben’ heeft de veroordeelde geen voordeel genoten. Gezien de vrijspraak voor telen kan ook de toepassing van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht niet leiden tot de toelaatbare conclusie dat de veroordeelde uit ‘soortgelijke feiten’ waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, voordeel heeft genoten. Daarbij zijn onvoldoende aanwijzingen aanwezig dat de veroordeelde in de week voor de tenlastegelegde periode, die is meegenomen in de ontnemingsrapportage, voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten. De vordering zal worden afgewezen.
Nu het hof de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal afwijzen, behoeven de door de raadsman gevoerde verweren geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 januari 2022.
Mrs. Koolen-Zwijnenburg en Postma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]