ECLI:NL:GHAMS:2022:3921
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte bijstandsfraude wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake bijstandsfraude. Verdachte werd ten laste gelegd dat zij in de periode van 2006 tot 2016 niet tijdig gegevens aan de gemeente had verstrekt, waardoor zij onterecht een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ontving.
Het openbaar ministerie vorderde een taakstraf van 180 uur, deels voorwaardelijk, gebaseerd op verklaringen van buurtbewoners, observaties en een doorzoeking van de woning. De verdediging stelde dat verdachte en medeverdachte geen gezamenlijke huishouding voerden, maar dat de medeverdachte mantelzorger was vanwege de psychische toestand van verdachte.
Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende solide was om zonder redelijke twijfel vast te stellen dat sprake was van samenwoning of gezamenlijke huishouding. De verklaringen van buurtbewoners waren niet doorslaggevend en de medeverdachte gaf plausibele verklaringen voor zijn aanwezigheid en betrokkenheid. Daarom sprak het hof verdachte vrij van de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van bijstandsfraude.