ECLI:NL:GHAMS:2022:3922
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte bijstandsfraude wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake bijstandsfraude. De verdachte werd primair tenlastegelegd dat hij in de periode van 2006 tot 2016 samen met een medeverdachte een gezamenlijke huishouding voerde en daardoor onrechtmatig bijstand ontving. Subsidiair werd hem ten laste gelegd dat hij voordeel trok uit een misdrijf door gebruik te maken van voorzieningen betaald uit bijstand.
Tijdens het onderzoek en de terechtzitting in hoger beroep bracht de verdediging aan dat de verdachte geen gezamenlijke huishouding voerde, maar mantelzorger was voor de medeverdachte en haar kinderen. Diverse verklaringen van buurtbewoners, observaties en vondsten bij een doorzoeking werden besproken, maar het hof oordeelde dat deze niet voldoende bewijs leverden om zonder redelijke twijfel vast te stellen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De verdachte gaf verklaringen die het hof niet ongeloofwaardig achtte, zoals zijn zwervend bestaan, mantelzorgtaken en het feit dat hij niet op het adres stond ingeschreven. De verklaringen van getuigen waren niet doorslaggevend en sommige getuigen konden niet bevestigen dat de verdachte daadwerkelijk woonde op het adres van de medeverdachte.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van bijstandsfraude.