De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het tweemaal besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De feiten betreffen incidenten op 20 mei 2020 en 21 augustus 2020 in Amsterdam. De verdachte ontkende kennis te hebben gehad van de ongeldigverklaring, stellende dat hij de beslissing nooit had ontvangen en een nieuw rijbewijs bezat.
Het hof baseerde zich op processen-verbaal van verbalisanten, het RDW-register en een gespreksnotitie van een telefoongesprek op 11 januari 2019 met een medewerker van het CBR. Hierin werd de verdachte herhaaldelijk meegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof concludeerde dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was van de ongeldigverklaring.
De politierechter sprak de verdachte vrij, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde hem tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen. Het hof achtte een voorwaardelijke straf niet passend gezien de ernst van de feiten en de houding van de verdachte.