De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van het slachtoffer op 10 januari 2018 te Amsterdam. In hoger beroep stelde de verdediging dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim vanwege het ontbreken van proces-verbaal van agenten die ter plaatse waren na het incident. Het hof oordeelde dat dit niet leidde tot een schending van het recht op een eerlijk proces, mede omdat verklaringen van getuigen en verdachte beschikbaar waren en konden worden beoordeeld.
De verdediging voerde tevens aan dat onvoldoende overtuigend bewijs bestond, onder meer vanwege tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van proces-verbaal. Het hof vond de verklaringen van het slachtoffer en getuige elkaar ondersteunen en voldoende bewijs opleveren voor mishandeling.
Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft geslagen tegen het hoofd, maar sprak hem vrij voor overige tenlasteleggingen. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden legde het hof een taakstraf van 50 uur op, verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim tweeënhalf jaar.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het hof kende € 753,27 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om de vergoeding te waarborgen.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 november 2022 en vernietigt het vonnis van de politierechter, doet opnieuw recht en legt de straf en schadevergoeding vast.