Klaagster heeft een woning verkocht waarbij de notaris de akte van levering heeft gepasseerd en kosten aan klaagster in rekening bracht die volgens klagers voor rekening van de kopers zouden moeten zijn. Klagers dienden een klacht in tegen de notaris over de hoogte en toerekening van deze kosten.
De klacht bestond uit drie onderdelen: kosten voor verplichte inzages (BRP, VIS, CIR, CCBR), kosten voor het opstellen van een volmacht en kosten voor betalingsverkeer. De kamer voor het notariaat verklaarde klager niet-ontvankelijk en oordeelde dat alleen klaagster ontvankelijk was. De kamer verklaarde het derde klachtonderdeel gegrond en de eerste twee ongegrond.
In hoger beroep trok klager zijn beroep namens zichzelf in, zodat het hof alleen de klacht van klaagster beoordeelde. Het hof oordeelde dat de notaris de kosten in rekening bracht conform de gemaakte afspraken in de koopovereenkomst, waarin was vastgelegd dat de kopers de notariskosten dragen, behalve voor bepaalde kosten die voor rekening van de verkoper zijn. De uitleg van de notaris was niet onbegrijpelijk of tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Het hof stelde vast dat de kosten voor betalingsverkeer betrekking hadden op werkzaamheden ten behoeve van klaagster zelf, zodat het niet verwijtbaar was dat deze kosten bij haar in rekening werden gebracht. Daarom verklaarde het hof alle klachtonderdelen ongegrond, vernietigde de eerdere beslissing en verklaarde klager niet-ontvankelijk in hoger beroep.