Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, waarin verdachte werd verdacht van poging tot afpersing in vereniging. De tenlastelegging betrof een incident op of omstreeks 23 september 2020 te Venhuizen waarbij verdachte samen met anderen zou hebben geprobeerd een benadeelde te dwingen tot afgifte van haar airpods door middel van geweld en bedreiging.
Tijdens het hoger beroep heeft het hof het dossier en de verhandelingen ter terechtzitting zorgvuldig onderzocht. Het hof concludeerde dat het rukken aan of duwen van het stuur van de fiets van de benadeelde door verdachte niet kwalificeert als poging tot afpersing. Daarnaast ontbraken voldoende aanknopingspunten dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachten om de benadeelde door dreiging met geweld te dwingen.
Gezien het tijdstip van het incident en de omstandigheden achtte het hof het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Daarom werd het vonnis van de kinderrechter vernietigd en verdachte vrijgesproken. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding afgewezen wegens het ontbreken van bewezenverklaring.