Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de neef, eveneens taxichauffeur, het door zijn oom en diens echtgenote uitgeleende geld volledig heeft terugbetaald. De lening bestond uit meerdere bedragen die tussen 2014 en 2017 werden overgemaakt, waarvan een deel aan de vader van de neef. De rechtbank stelde vast dat de neef betalingen tot een bedrag van €37.123,- had verricht, voornamelijk via contante betalingen door een derde.
De vordering tot betaling van €6.000,-, overgemaakt aan de vader van de neef, werd door de rechtbank afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing dat dit bedrag aan de neef toerekenbaar was. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat er geen rechtsgrond is om de neef te houden tot terugbetaling van dit bedrag, ook al zou het via zijn vader zijn besteed.
Ook een vermeende betalingsregeling van €675,- per maand gedurende vier jaar wordt door het hof niet als zelfstandige betalingsverplichting erkend vanwege onduidelijkheid in het geschrift en het ontbreken van een schriftelijke vertaling van een relevant telefoongesprek. Het bewijsaanbod van de appellanten om zichzelf als getuigen te horen wordt afgewezen omdat zij onvoldoende hebben toegelicht wat zij anders kunnen verklaren dan reeds bekend.
Het hoger beroep wordt verworpen en de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. De appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de neef het geleende bedrag grotendeels heeft terugbetaald en wijst de vordering van €6.000,- af.