ECLI:NL:GHAMS:2022:784

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2022
Publicatiedatum
16 maart 2022
Zaaknummer
23-001192-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling oplichting en medeplichtigheid met strafmatiging wegens termijnoverschrijding

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is de verdachte veroordeeld voor oplichting en medeplichtigheid aan poging tot oplichting. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 18 dagen gevangenisstraf en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het hof bevestigt het bewezenverklaarde, maar vernietigt de strafoplegging vanwege de omstandigheden.

De verdachte gebruikte op valse wijze creditcardgegevens van meerdere slachtoffers voor financieel gewin, wat het vertrouwen in het betalingsverkeer schaadde en gevoelens van digitale onveiligheid versterkte. Het hof acht een vrijheidsbenemende straf passend gezien de ernst van de feiten, maar houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar tussen het instellen van het hoger beroep en het arrest.

Daarom wordt de taakstraf verminderd met 20 uren, tot 40 uren, en de subsidiaire hechtenis tot 20 dagen. De gevangenisstraf van 18 dagen blijft gehandhaafd met aftrek van het voorarrest. Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor de vrijspraken die niet aan het hof kunnen worden voorgelegd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 18 dagen gevangenisstraf en 40 uren taakstraf met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001192-19
datum uitspraak: 11 maart 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-702710-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de rechtbank de oplichting van [winkel] en het medeplegen van medeplichtigheid tot een poging tot oplichting van [BV] B.V. bewezenverklaard. De verdachte is vrijgesproken ten aanzien van de (medeplichtigheid aan de) oplichting van [creditcard], [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze vrijspraken geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en taakstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:
(1) de bewijsoverweging van de rechtbank wordt aangevuld in die zin dat op pagina 3, tweede alinea, voor het woord ‘aanvaard’ het woord ‘bewust’ dient te worden gelezen; en
(2) bij de vermelding van de toepasselijke wettelijke voorschriften (pagina 5 van het vonnis) wordt toegevoegd: artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair en subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 dagen met aftrek van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het door de rechtbank bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 dagen met aftrek van het voorarrest en een taakstraf van 40 uren, waarbij hij rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De raadsman heeft verzocht de verdachte geen taakstraf op te leggen en hem een gevangenisstraf op te leggen die overeenkomt met het aantal dagen dat de verdachte al heeft doorgebracht in voorarrest. De raadsman heeft tevens verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, de verdachte tijdens de voorlopige hechtenis in volledige beperkingen heeft gezeten en dat sprake is van een fors tijdsverloop van de strafzaak.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij en bij het bepalen van de vrijheidsbenemende straf in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en is medeplichtig geweest aan een poging tot oplichting. Door op valse wijze gebruik te maken van de creditcardgegevens van de slachtoffers heeft de verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin zonder rekening te houden met de slachtoffers en zonder stil te staan bij de financiële schade en overlast die zijn handelen veroorzaakt voor de creditcardhouders, de winkeliers en de creditcardmaatschappijen. Het vertrouwen dat in het betalingsverkeer in deze kaarten moet kunnen worden gesteld, is door het handelen van de verdachte geschaad. Daarnaast versterkt dit soort feiten de gevoelens van (digitale) onveiligheid in de samenleving.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 18 dagen, met aftrek van het voorarrest, gecombineerd met de taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, op zich passend. De door de raadsman genoemde omstandigheden geven het hof geen aanleiding tot strafmatiging.
Het hof heeft evenwel acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. De verdachte heeft immers op 27 maart 2019 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 11 maart 2022 – dus bijna drie jaar later – arrest. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat in die zin dat de taakstraf met 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, zal worden gematigd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 48, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van de (medeplichtigheid aan de) oplichting van [creditcard], [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en de taakstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 maart 2022.
mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.