ECLI:NL:GHAMS:2023:10
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep verdeling huwelijksgoederengemeenschap en leningstoedeling na echtscheiding
Partijen zijn in 2016 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2021 gescheiden met peildatum 6 december 2019 voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank had de activa van de onderneming aan de man toegedeeld met een overbedelingsvergoeding aan de vrouw, en bepaalde diverse betalingsverplichtingen tussen partijen.
De man stelde in hoger beroep dat de waardering van de onderneming per 6 december 2019 moest plaatsvinden, maar het hof oordeelde dat partijen uitdrukkelijk hadden gekozen voor waardering per 31 december 2019, zoals door de man zelf was aangevraagd. De man verkocht de auto uit de onderneming pas na de peildatum, waardoor correctie van de waardering niet nodig was.
De vrouw stelde dat de man een lening aan zijn vriend niet volledig had terugbetaald en dat hij gelden uit de gemeenschap had onttrokken. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs had geleverd over de terugbetalingen, waardoor hij een aanvullend bedrag van €5.000 aan de vrouw moet betalen. Verzoeken van de vrouw tot inzage van bankafschriften en vergoeding van vermeende verspilde gelden werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De vrouw kreeg wel gedeeltelijk gelijk in haar verzoek tot betaling van wettelijke rente over de door de man verschuldigde bedragen vanaf 10 september 2021 tot volledige betaling, maar niet in de gevorderde incassokosten. De man werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn aanvullende verzoeken. Het hof bekrachtigde de overige beslissingen van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de waardering per 31 december 2019, veroordeelt de man tot aanvullende betaling van €5.000 en toekenning van wettelijke rente vanaf 10 september 2021, en wijst overige grieven af.