ECLI:NL:GHAMS:2023:1210
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezag moeder over minderjarige na langdurige uithuisplaatsing
Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland om het gezag van de moeder over haar tweejarige kind te beëindigen. Het kind woont sinds een week na de geboorte in een pleeggezin en is inmiddels bijna twee jaar oud. De ouders betwisten de beëindiging en stellen dat zij nooit een eerlijke kans hebben gekregen om te laten zien dat zij goed voor het kind kunnen zorgen.
Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder het beroepschrift van de ouders, verweerschriften van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling, en heeft de zaak mondeling behandeld. De vader is niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat hij niet het gezag heeft over het kind.
Het hof concludeert dat de moeder niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding van het kind te dragen. Dit blijkt uit de langdurige uithuisplaatsing, het ontbreken van voldoende aansluiting op de signalen van het kind tijdens omgangsmomenten, en de inschatting van hulpverleners dat de ouders onvoldoende veiligheid en stabiliteit kunnen bieden. Het belang van het kind bij een ongestoorde hechting aan het pleeggezin weegt zwaarder dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag.
De beslissing van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd. Het hof benadrukt het belang van het contact tussen het kind en de ouders, en hoopt dat de samenwerking met pleegouders en hulpverlening positief kan worden voortgezet.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over het kind en verklaart de vader niet-ontvankelijk in het hoger beroep.