Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
IN AANMERKING NEMENDE:
Gerechtshof Amsterdam
Partijen hadden een langdurige affectieve relatie en sloten in 2013 een samenlevingsovereenkomst. Na beëindiging van hun relatie in 2017 betaalde de man vrijwillig €400 per maand aan de vrouw. In 2018 tekenden zij een alimentatie-overeenkomst waarin de man zich verplichtte deze betalingen voort te zetten tot overlijden van een van hen.
Vanaf december 2019 stopte de man met betalen en stelde hij dat hij de overeenkomst op grond van dwaling vernietigde, omdat hij dacht wettelijk verplicht te zijn tot betaling. De rechtbank wees de vordering van de vrouw af en oordeelde dat de man terecht de overeenkomst vernietigde wegens dwaling.
De vrouw stelde in hoger beroep dat de man vrijwillig had betaald en de overeenkomst niet vernietigd kon worden, maar het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende had weersproken dat zij de man de indruk had gegeven dat hij wettelijk verplicht was te tekenen. Het hof bevestigde dat de man bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zou hebben gesloten en bekrachtigde het vonnis dat de overeenkomst vernietigt.
Het hof bepaalde dat ieder zijn eigen proceskosten draagt en dat de man niet langer verplicht is alimentatie te betalen op grond van de vernietigde overeenkomst.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de alimentatie-overeenkomst wegens dwaling door de man wordt vernietigd.